Wielrennen, Wein, Weib und Gesang


Auteur: Mart Smeets

Afgelopen weken kreeg ik twee uitnodigingen in mijn inbox om het nieuwe boek van Aart Vierhouten te komen bezien tijdens een wijnproeverij in, ik meen, Loosdrecht. Het boek draagt de titel ‘Kopwerk’ en de wijn die werd geschonken was een lekkere Brunello de Montalcino. Tijdens de Winterspelen van Turijn 2006 stond er in Café Torino iedere avond zo’n fles voor ons open. De mannen van De Dijk sloten zich ook gaarne bij ons aan, herinner ik me nog.

   Wielrenners en wijn, er zou een groot dik boek over geschreven kunnen worden.

   Nee, begin nou niet over Abdel-Kader Zaaf, want zijn verhaal behoorde toe aan Jean Nelissen en niemand anders in het vak heeft het recht dit verhaal nog in woord of geschrift te openbaren.

   Iedereen weet dat De Neel zelf ook behoorlijk diep in een wijnfles kon kruipen, maar op het laatst van zijn alcoholische trektocht door het bestaan was het alcoholpromillage van wijn hem te beperkt en bedacht hij dat Grappa een senior-familielid van wijn was.

   Natuurlijk kennen we de Spumante van Francesco Moser en zijn familie. Wijn uit Noordoost-Italië, van hetzelfde huis (Cantina Moser) zijn de goed betaalbare rood en wit heel goed te drinken. Wielerliefhebbers die in de Dolomieten gaan trainen rijden vaak om en zoeken dan Moser wijnen. Op een of andere wijze schept dat een band met de renner van weleer. Ja, inderdaad, het zijn stoere, sterke wijnen, weet ik uit ervaring.

   Toen ik een beginnend radio- en televisiereporter was en mee mocht op buitenlandse trektochten langs koersen, kwam ik op een avond uit aan een tafel met mevrouw en mijnheer Van Looy. Rik II voor intimi, liefhebber van de betere wijnen. Terwijl zijn charmante en stout-speelse vrouw Nini zich aan tafel ontdeed van haar zijden blouse (er kriebelde iets, zei ze) en hem vervolgens weer aantrok, bestelde Rik de ene na de andere fles. Hij deed dat met een joyeuze kalmte die groots genoemd mocht worden.

   De flessen, zo begrepen we van mensen die de wijnkaart doorgekeken hadden, deden wel 145 gulden per stuk, maar niets was Rik te gek: trek er nog maar een paar open, schalde het door het restaurant en het werd steeds gezelliger.

   Later begreep ik dat Van Looy zijn tafelgenoten graag liet delen in zijn welvaart en zijn zelf aangeleerde wijnkennis. Hij draaide zijn hand niet om voor een gepeperde rekening waarop de wijnkosten die van de spijzen met ettelijke fietslengtes klopten.

   Een andere Belg, baron Eddy Merckx, nodigde ooit, in het midden van de Tour, in Marseille, een groep van zo’n tien tot vijftien journalisten en vélo-gekken uit in de bar van het Sofitel.

   Merckx sprak de manager van het hotel aan en de twee wisselden even wat woorden, bijna achter de hand. Vijf minuten later werd de bar van het hotel afgesloten voor andere gasten; het was nu een privé-party geworden waar de heer Merckx champagne aanbood aan zijn genodigden.

   Zoals hij was en is: vrijgevig, maar met mate en voor een geselecteerd publiek. En dan moest, zonder er een grote show van te maken, altijd de drank der kampioenen ter tafel komen, knallend gebracht, gretig gedronken: champagne dus.

   ‘Marc’, zei hij dan tegen me, ‘Champagne houdt de vaten open, het is een goed geneesmiddel…’, waarna hij bulderend begon te lachen.

   En ook deze zal ik niet snel vergeten: Jacques Anquetil, Maître Jacques dus, de sfinx en de James Dean van het peloton, vertelde me eens het verhaal dat hij, een of tweemaal per jaar, al zijn ploeggenoten uitnodigde voor een soort bacchanaal. Het vond plaats in een gesloten restaurant van allure. Alleen de ploeg Anquetil was binnen en er werd goed gedronken en gegeten. Jacques liet altijd heel goede wijnen ter tafel komen om, zoals hij zei, zijn knechten andere wijnen te leren drinken dan de Franse slobberlandwijnen die moeder de vrouw voor een paar francs bij de Super U haalde.

   Ook Jacques was goed bevriend met champagne. Zoals hij knipogend zei: ‘Goed voor de liefde, neem drie glazen, flink koud en ga dan de liefde bedrijven. Uw vrouw zal tevreden zijn, hij blijft hard tot in de vroege ochtend.’

   En wie zegt daar dat ik niets geleerd heb vanuit het peloton al die jaren?

   Nu nog te weten zien te komen hoe Aart Vierhouten en wijn één zijn geworden. Inmiddels weet ik wel dat Johan Museeuw een geweldig mooie wijnkelder bezit, dat Andrea Tafi een eigen merk voert en dat Romans Vainsteins, de wereldkampioen op de weg van 2000, voor Vini Caldirola ging rijden en er de dochter van de baas tot zijn vrouw maakte. Cal Vain heet zijn eigen wijnkoperij.

   Bij de presentatie van Aarts boek werd de wijn uit vier houten vaten getapt.

   Ai, de huisdichter in me loopt met me weg. Excuses.

   What was the question?

   Wine is the answer.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Beeld: Fyxation Leather Bicycle Wine

 

 

Leave a Reply