WIELERSPORT-PUBLICRELATIONS

Auteur: Mart Smeets


Het was Peter Post die ooit Fred DeBruyne bij zijn rijke ploeg haalde. De oud-renner en oud-kampioen was ook oud-ploegleider en oud-verslaggever en Post was slim: Fred sprak goed Frans, behoorlijk Italiaans, een beetje Spaans, grappig-alo-alo Engels en had vooral charme.

   Fred kon tevens een auto in koers besturen en dus was DeBruyne (die overigens in Frankrijk woonde, vlakbij zijn drinkebroer Rafael Geminiani) de juiste man om de zogenaamde persconnecties voor de ploegen van Post te regelen. We spreken over het eind van de jaren tachtig.

   Een soort trait-d’union dus en in dit geval een heel vrolijke, zeer gevatte en vaak behulpzame persintendant die geen kapsones had.

Fred vertaalde voor renners en journalisten, hield tempo in het leven en waar Post een bijna ongegeneerde weerzin voor sommige persmensen had, boog Fred dat gevoel om, bleef vriendelijk en behulpzaam en verdiende zijn centen op krachtige wijze: hij was, voor zover ik me kan herinneren, de eerste in zijn vak die ertoe deed.

   Waar alle andere ploegen maar wat aanknoeiden met de meegereisde persmensen, won Peter Post de slag met zijn Panasonic. Door Fred.

   Tegenwoordig hebben vele ploegen een hele persafdeling. Dat begon in de jaren nul opgeld te doen en hoewel sommigen totaal ongeschikt waren in dat vak (naming and shaming is hier niet nodig) en hun werk op gewoon slechte manier vervulden, kwam er toch een bredere basis voor het samengaan tussen persmensen en renners en het andere personeel van een ploeg.

   Zodanig dat er een merkwaardig spanningsveld ging ontstaan tussen de persmeisjes en -jongens en de door een wielerploeg aangetrokken professional die het verkeer tussen beide groepen een beetje diende te regelen. Zo’n type was ook maar een mens; met een bepaalde voorkeur, weleens zonder echte manieren, soms beperkt, soms zeer goed in haar of zijn werk, maar altijd in de positie de renners en het personeel van de buitenwereld af te schermen en pas als het hem of haar goeddunkte, konden persmensen in grote rondes of rond grote eendagskoersen op vooraf afgesproken tijden en plaatsen hun werk gedurende korte tijd verrichten. Ja, altijd met iets van een dwingende blik in hun rug.

   Nu er de afgelopen dagen voluit in Frankrijk (Parijs-Nice) en Italië (Tireno-Adriatico) gekoerst werd, liepen de tabletten, telefoons en computers van vele professionele wielervolgers vol met berichten van de ploegen, vaak opgesteld door de chef perszaken, met kleine wetenswaardigheden, uitslagen, voorbeschouwingen en richtlijnen.

   Voor mij heeft de charme van de wielersport altijd gelegen in het feit dat het de sport van de straat was. Daar koerste men, daar kwam men elkaar tegen, daar sprak je kort met elkaar, daar deed eenieder zijn of haar werk en daar lag een (voor mij) prettige balans.

   Met de komst van grote vedetten, dure pseudo-winnaars, mafkees-sprinters en (ja, het is waar) een waarlijk ongeremde stijging van aanwezige, officieel geaccrediteerde persmensen in bijvoorbeeld de Rondes van Frankrijk en Italië en de grote Klassiekers werd het voor sommige ploegen usance deze renners weg van het persvolk en het publiek te houden.

   Armstrong, Ullrich, Pantani, Indurain, Fignon soms, Hinault soms, Chipo, Contador, Boonen soms, de Schleckjes niet vaak, Rasmussen en de kopstukken van tegenwoordig werden en worden stevig afgeschermd.

   Zoals een vriendelijke perschef van een ploeg me ooit zei: ‘Die renners kruipen nu achter het excuus dat de journalisten alles op hun tabletje ontvangen en dat direct onderling contact dus niet meer nodig is.’ Ik zei dat ik het niet met hem eens was en hij keek me glazig aan; waarom werd hij tegengesproken? En nog wel door een journalist.

   Tegenwoordig verschijnt er na een etappe van een flink aantal ploegen een nog hijgend persbericht waarin drie of vijf quotes van de winnaar of de belangrijkste renners te lezen staan. Plus een verkorte uitslag en soms een leuk feitje.

   Was getekend, de perschef.

   Zijn of haar voordeel: hij of zij kon zijn of haar renners al snel met de bus naar het hotel laten vertrekken.

   Het nadeel voor de verzamelde pers: zij kregen eenheidsworst als antwoorden en van een eventueel goed gesprek tussen persmens en wielrenner kwam het nauwelijks nog.

   Zodanig zelfs dat een Vlaamse collega van me eens opmerkte dat je als wielerjournalist het best vanuit huis kon werken: televisie aan en na afloop werden de woorden van de renners via de tabletten keurig thuis bezorgd. Onpersoonlijker kon het bijna niet, maar wellicht was dat de bedoeling en de toekomst.

   Dat denk ik dus niet; goede wielersportjournalistiek gedijt door samenspel tussen renners en journalisten rond de koers. Door lijfelijk contact, door elkaar ‘goedemorgen’ te wensen een half uur voor de start, door aan de meet zelf te vertellen hoe er gesprint was en waar het goed of fout ging.

   Het begrip persoonlijk is in dezen erg belangrijk.

   Terwijl ik deze woorden optik komt er een bericht binnen van Trek-Segafredo, een van een meest professionele ploegen in het peloton en eentje die trouw, tijdig en zonder gekke fouten berichten uit de koers op mijn computer binnenbrengt.

   Ik kan de antwoorden van Mads Pedersen letterlijk overnemen als ik dat wil.

   Hij zegt : ‘The shape is good, but it can be better.’

   Zo, da’s een reuze quote.

   Is dat de kwintessens van zijn etappezege in Parijs-Nice?

   De persmevrouw of meneer doet haar of zijn werk en houdt verbale ontsporingen uiteraard tegen en dient ervoor te zorgen dat er een leuk, luchtig toontje gehandhaafd wordt. De voorafjes en de nabeschouwingen krijgen alle iets onzijdigs, iets steriels en ook iets dat we soms ‘gelikt’ noemen, iets dat niet bij het wielrennen past, ook niet in deze tijden.

   Dat valt mij dus op. Vroeger kon Jelle Nijdam, uit de grond van zijn hart, ’s ochtends op een startpleintje in de zon, opmerken dat ‘klimmen een kut-onderdeel van de Tour is’. Die regel dringt de laatste tien jaar niet meer door in de kant-en-klare persberichten.

   Ik herinner me Fred DeBruyne. Hij vertaalde voor Maurizio Fondriest en voor de vragen stellende persmensen, er kwam een glas op tafel, hij hield de lach erin, de sfeer was goed en Peter Post stond van afstand toe te kijken.

   ‘Fred is goed hè, hij heeft geduld,’ zei hij dan.

   Dan hadden de mensen die dat weer hoorden zo hun gedachten.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.

photo Cor Vos


Leave a Reply