STOP ER TOCH MEE, ZEI MARTINS MOEDER

• Gratis •


Another brick in the wall


Auteur: John Kroon

Jongen, had zijn moeder gezegd, dat wielrennen is niets voor jou. Daar is geen droog brood mee te verdienen. Zoek toch een echt vak!

Of woorden van gelijke strekking, die Martin van der Borgh, wielrenner van beroep, zich allicht herinnerde als hij weer eens op de fiets stapte om in de siroopfabriek, zeventig kilometer verderop, wat bij te verdienen.

Voor brood op de plank. Misschien een boterham met stroop erop.

In de zojuist verschenen editie van De Muur, nummer 61, heeft Bart Jungmann de wielercarrière, het tragische leven en de vroege dood van Eddy Beugels beschreven. Dat is de eerste aanleiding om het hier eens te hebben over Martin van der Borgh. De tweede is het vele talent dat de Nederlandse wielersport op het ogenblik rijk is – en vooral het besef dat zo’n veelbelovende carrière al in de knop kan worden gebroken.

Tussen Beugels en Van der Borgh zijn diverse parallellen te trekken. Beiden zijn Limburger, beiden maakten deel uit van een ploeg waarvan de kopman de Tour de France wist te winnen. Beugels in 1968 (Jan Janssen) en Van der Borgh tien jaar eerder (Charly Gaul). Beiden waren hoger opgeleid dan de gemiddelde renner in hun tijd. Van der Borgh had zijn middenstandsdiploma behaald, je kon maar niet weten, dacht hij, hoe het hem in zijn sport zou vergaan.

De wielerjournalist Evert van Mokum, pseudoniem voor Evert Lammers, prees hem bovendien om ‘zijn onberispelijke kledij, omgangsvormen en beschaafde wijze van spreken’, iemand die ook ‘waarde hecht aan levensstijl en correct optreden’. Dat kon indertijd niet van alle wielrenners worden gezegd. Nu al wat vaker.

Nog een overeenkomst tussen Beugels en Van der Borgh: beiden overleden dit jaar in Limburg. Eddy was 73, Martin 83. Ze hadden een wielerloopbaan achter de rug die te kort had geduurd.

Van der Borgh, toen 23 jaar, mocht aan de Tour de France van 1958 meedoen omdat Wout Wagtmans op het allerlaatste moment afhaakte. En als debutant verraste hij vooral in de bergen. Met zijn elfde plaats in het algemeen klassement, met uitzicht op hoger, was hij de beste Nederlander tot een val in de vijftiende etappe hem uit de Tour wierp. Klassieke kwetsuur: gebroken sleutelbeen.

Martin had niet naar zijn moeder en wel naar zijn vader geluisterd. Een mijnwerker die ook wielrenner was geweest, al had hij er niet van kunnen leven, en die zijn zoon graag zag fietsen. Hopelijk zou hij succesvoller zijn.

Maar misschien had Martins moeder toch wel gelijk toen ze weer eens zei: hou er toch mee op, jongen, met dat wielrennen. Dat is niets gedaan. Daar verdien je de kost niet mee. Ze bleef het zelfs volhouden toen Martin nog elfde stond in de Tour.

Omdat Martin voortijdig de Tour had verlaten deelde hij minder mee in de financiële opbrengst die de overwinning van Gaul de gecombineerde Nederlands-Luxemburgse ploeg had bezorgd. Al zou hij pas met Kerstmis horen hoeveel hij kreeg. Maar hij dacht dat zijn mooie optreden in de Tour en zijn achtste plaats op het WK op de weg in Reims een maand later hem wel enkele interessante contracten voor de baan zouden opleveren. Mis.

En zo pakte hij in het najaar van 1958 dagelijks de racefiets om van zijn woonplaats Koningbosch naar de siroopfabriek van Canisius in Schinnen te rijden, en terug. Jan Nolten had daar ook weleens stroop gesmeerd. Het jaar ervoor had Van der Borgh met houthakken bijverdiend, maar dat leek hem voor een wielrenner toch niet gezond.

Naar zijn moeder luisteren wilde hij nog steeds niet, nee, ook volgend jaar wilde Martin van der Borgh per se de Tour rijden. En zo geschiedde, weer in dienst van Gaul, maar tussentijds moest hij met knieproblemen opgeven.

In 1960, zijn derde en laatste Tour, de enige die hij zou uitrijden, had hij de gele trui voor het grijpen. In de eerste etappe, op weg naar Brussel, was hij in zijn eentje ontsnapt. Hij naderde de finish in het Heizelstadion, hij zou zeker gaan winnen….

Maar helaas besloot hij de motoren te volgen die vóór hem reden en het stadion niet in mochten. Jean Garnault, de secretaris-generaal van de Tour, had de motards weggeleid op een moment dat een andere motor de koploper het uitzicht belemmerde. Van der Borgh kwam uit op een parkeerterrein, draaide om, kon nog net aansluiten bij de kopgroep van dertien waaruit hij was weggereden en finishte als vierde.

Bij zijn crematie, op 16 februari, herinnerde wielerjournalist Wiel Verheesen eraan hoe ontroostbaar Martin toen was: ‘Wat had hij te maken met de excuses van de wedstrijdleiding? Niets, doodgewoon niets. Hij wilde naar huis.’ Maar hij liet zich ompraten en was in de volgende etappe opnieuw de beste Nederlander, nu als veertiende.

Overwinningen die nu nog aanspreken boekte hij daarna niet meer, of het zou,  een jaar later, de Tour du Nord moeten zijn, een vierdaagse etappekoers. Of de niet meer bestaande semiklassieker Brussel-Charleroi-Brussel. Een etappe in de Ronde van Luxemburg. Dat werk.

In 1964 verbrijzelde Martin van der Borgh dezelfde knie die hem in 1959 de Tour had doen verlaten en waaraan hij toen moest worden geopereerd. Einde wielercarrière.

Sorry, ma. Misschien had je toch gelijk.

Dus, Antwan Tolhoek, Danny van Poppel, Mathieu van der Poel, Mike Teunissen en Dylan Groenewegen, jullie vaders konden ook behoorlijk tot heel goed fietsen, jullie moeders waren voor zover bekend niet zo pessimistisch als die van Martin, geniet maar van je successen en van het brood, eventueel met stroop, dat je ermee verdient. Maar bedenk: het kan zó over zijn.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp en John Kroon.


Leave a Reply