MARTIN BRIL KIJKT NAAR JOOST POSTHUMA


Auteur: Mart Smeets

Ja, ik geef toe dat de kop voor verwarring kan zorgen. Een dooie columnist en een ex-wielrenner die zo’n goede vijftien jaar geleden ineens even opstond en voor niet al te lang een ‘groot talent’ genoemd werd door mensen die het wellicht konden weten.

Hoe?

Wat?

Kijk, ik ben al maanden bezig met het vergaren van gegevens van oud-renners, sprinters, klimmers, lossers en weet ik veel wat meer – als ze maar in de Ronde van Frankrijk zijn opgestapt.

Dat is een prima manier om de zagende stiltes in de Coronatijd door te komen heb ik gemerkt. Het valt me ook op hoe vaak er zo’n leuke Aha-erlebnis langsfietst. Een kort verhaal, een feitje dat ik 33 jaar geleden ooit hoorde en dat is blijven plakken, een herinnering aan een ontmoeting zoals die keer in Zürich toen Jim Ochowicz op me af kwam met naast zich een strak uitziende, mij totaal onbekende renner.

Jim, die ik al jaren kende uit de schaatswereld, zei: ‘Mart, I’ll like you to meet the next great champion…this is Lance Armstrong and you’ll be hearing from him soon.’ Diezelfde middag moesten de profs Nevens en Ekimov er alles aan doen om de jonge Amerikaan niet te laten winnen. Ekimov won, Nevens was kassier. Het was 1992.

Zulke feitjes blijven lang bij me hangen; dingen die er eigenlijk niet toe deden, maar toch.

Zo heb ik ook nog altijd in mijn hoofd hangen dat in 1989 door de Post-ploeg niet voluit gereden zou worden om de gele trui van Erik Breukink coûte que coûte te verdedigen en dat de Breuk daar even flink sprakeloos van was en zijn ploeggenoten allemaal de andere kant op stonden te kijken toen zulks bekend gemaakt werd. Laf en zakelijk. En ja, het was maar een gele trui, nietwaar?

Waar ik nu heen wil?

Kijk, ik stuitte ergens op een uitslag waarin de mij als zeer aardig en bescheiden voorkomende Joost Posthuma van Rabobank (2004-2010) een flinke rol speelde.

Ik was op zoek naar wat gegevens van hem omdat ik me een merkwaardige ontmoeting herinnerde, op een klein stukje boulevard in Cannes, na een zaterdagse rit in Parijs-Nice die wij, van de NOS, op een of andere manier ineens live op het scherm brachten.

Posthuma had verrassend goed gereden en was solo winnend aangekomen. Het was in 2005, wist ik me nog te herinneren en ineens was Posthuma een hot item voor de Nederlandse journalistiek.

We hadden weer een tijdrijder, een man die solo durfde te rijden, een grote, stevige vent die wist te winnen en ik vroeg hem na afloop even te blijven voor een unilateraaltje naar Nederland.

Zulke korte opnames konden dan pas plaatsvinden als de uitzending van de Fransen helemaal klaar was en ik vroeg Posthuma of hij even wilde wachten en bood hem een stoeltje aan naast de televisie-wagen van de Fransen.

We kwamen in gesprek, het werd meer dan small talk en er kwam een technicus vragen om iets meer geduld, er zat een schakeling verkeerd  tussen Nice en Parijs.

Hij, die aardige Tukker dus, bleef vrij kalm en begreep de situatie die ik hem, snel vertaald, had voorgelegd. Ik zat naast hem, tikte hem op zijn dijbeen en zei zoiets als ‘winnen, zeker in Frankrijk, vraagt vooral veel geduld voor wie gewonnen hebben,’ en ik vertelde hem hoe al die dingen na afloop van een etappe gingen. Hoe het altijd lichte paniek was in de uitzendwagen, hoe het slachtoffer, diegene dus die geïnterviewd zou worden, maar de goedheid moest hebben om te wachten en nog meer te wachten en zo kwamen we samen, zittend op die twee gammele Franse meeneemstoeltjes, de tijd door.

Op enig moment keek ik wat om me heen en dacht, aan de overkant van de straat, een bekende te zien. Ik keek goed, maar Posthuma vroeg me wat en ik moest mijn aandacht nu echt aan hem schenken.

Vijf minuten nog zaten we er en ik had al wel drie maal mijn verontschuldigingen aangeboden toen we het teken kregen dat de lijnen via Nice naar Parijs door stonden en we begonnen een vrolijk gesprekje dat die avond in een late Studio Sport zou worden uitgezonden. Ik bedankte hem voor het tonen van zijn geduld en riep zoiets als ‘dit is de prijs van de roem…letterlijk’. Hij moest erom lachen en liep weg met een vrolijke zwaai. Winnaars hebben immers altijd gelijk.

Het was een prettige samenspraak geweest en vooral zulke impromptu momenten slaat een mens vrij makkelijk op in de grijze cellen.

Ik haalde mijn spullen op, pakte de wielertas in en we reden richting Nice om er ons hotel te vinden en ’s avonds, aan de Boulevard, te gaan eten. Het leven was zo rot nog niet, vond ik in die jaren. Ja, zwaar qua reizen en trekken en vooral leuk omdat je een moment zoals met Posthuma niet vaak meemaakte: een jonge sportman wint een etappe in Cannes en dan stapt die grote man van de televisie op hem af en vraagt of hij misschien wel een klein vraaggesprekje wil hebben en dan loopt zoiets tien, misschien wel meer minuten uit en… Nee, er was bij de renner geen moment van chagrijn of prikkelbaarheid te merken geweest. Hij snapte de situatie en was rustig gaan zitten praten; twee Nederlanders op een stil stukje Boulevard in Cannes; dat was het eigenlijk en niets meer of minder.

Weer terug in eigen land kreeg ik de mededeling van wat bekenden dat er in de Volkskrant een grappig stukje had gestaan waarin Martin Bril beschreef hoe ik mijn werk achter de finishlijn in Cannes deed met een grote, blonde wielrenner. Hoe ik de betreffende man zacht op diens dijbeen had getikt om, waarschijnlijk, mijn woorden kracht bij te zetten.

Ik had dus toch gelijk gehad, bedacht ik. De man die aan de overkant van het kleine parkje stond en onze richting op keek was dus Martin Bril geweest en hij had beschreven wat hij op, pak weg dertig meter van Posthuma en mij, had gezien. Hij had geen idee van de technische problemen, hij wist niets van de chaos in de Franse regiewagen, hij zag wat hij zag, hij herkende mij en hij had (denk ik) geen idee wie die wielrenner was. Hij beschreef slechts wat hij zag, zijn specialiteit.

Ja, ik kende hem een beetje. We zeiden elkaar dag in het passeren als we ergens samen waren, of in de Beethovenstraat, in de tram of elders. Neen, ik kende hem niet, anders dan dat ik wist hoe hij eruit zag en hoe zijn naam en faam aan hem plakte. Herkennen heet dat.

Het originele stukje uit de Volkskrant zag ik nooit, wel hoorde ik van anderen dat ze zich goed konden vinden in de woorden van Bril; hij had het zo opgeschreven dat je, als lezer, de beelden makkelijk meekreeg. En ja, dat was zijn klasse, bedacht ik, opschrijven zoals het is, in woorden een beeld vatten dat herkenbaar is voor de lezer.

Het is 2021, ruim zestien jaar later. Posthuma is allang renner af, Bril is in 2009 overleden, de Volkskrant heeft allang weer andere opmerkelijke scribenten voortgebracht en ik wil nog steeds stukjes schrijven over dingen die ik meegemaakt heb.

Bij het zien van de naam Joost Posthuma was het beeld van twee kerels op klapstoeltjes in een klein parkje in Cannes het allereerste dat bij me opkwam. Heet dat associatief denken?

En hoe snel had ik ook het (toen vage) beeld van Martin Bril voor mijn geest? Zoals hij aan de overkant van het parkje naar ons stond te kijken.

En ik wist het nog allemaal, dat verbaasde me.

Ik riep naar de andere kamer: ‘Het valt toch nog wel mee!’ en kreeg als antwoord: ‘Wat valt mee?’

Over dat antwoord heb ik even moeten nadenken en ik twijfelde of ik het woord dementie zou gebruiken. Ik besloot het niet te doen.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.

Joost Posthuma (Rabobank) – Cor Vos ©2005


Fotografie: Cor Vos

Leave a Reply