‘KIJK MAAR, DAT GELE ZEILJACK. EN DAT STUK KARTON’


Auteur: Peter Ouwerkerk

De vrouw had ineens een idee gehad. Een hele mooie ingeving.

Haar handen zaten onder de zwarte vilstift, maar dat deed er niet toe. Het idee zou thuis bij haar ouders inslaan als een prachtige grap. Ze zaten voor hun tv-toestel en ze zouden niet weten wat zagen; verbaasd zouden ze staan van plezier.

Die vrouw daar in beeld…. dat was…. dat was toch…. nee maar… Ja hoor; dat wás ze. Kijk maar, dat gele zeiljack… en dat stuk karton… die vrouw… dat was hun dochter, hun énige kind!

Het is zaterdag 26 juni. Henri Duchanel heeft zijn vrouw Rosette in haar stoel aangestoten en uit haar middagdutje gehaald.

‘Hè, Roos, kijk nou…. kijk nou eens… Als dát onze Martha niet is…? Die daar, die met dat…’

En op hetzelfde ogenblik slaat Henri zijn handen voor zijn ogen. ‘Ohw… ohw… ohw…!

De Tour de France was weer eens in Bretagne. En de eerste van de drie Bretonse etappes zou Saint Cadou passeren, zo ongeveer langs hun huis. Een eenvoudig optrekje in Sizun, Finistère. Niet ver van de D30/D310.

In Suzin woonden Henri en Rosette al sinds mensenheugenis. Henri had het in zijn werkzame leven tot onderdirecteur van de streekpapierfabriek geschopt – schrijfpapier, enveloppen, blocnotes, agenda’s, kalenders, van licht- tot dubbelzwaar karton. Henri was inmiddels net over de negentig, Rosette twee jaar jonger.

Bretagne is een te gek fietsland. Henri had zelf ook een racefiets gehad. Maar zijn kwaliteiten haalden het niet bij die van de echte Bretonse jongens, die Bretagne als kweekvijver voor profwielrenners op de kaart hadden gezet. Hij had ze meer dan eens met de Tourkaravaan voorbij zien komen. Jean Robic, Louison Bobet en uiteraard ook Bernard Hinault – gedrieën goed voor negen eindoverwinningen in de Tour. Telkens als de Tour Bretagne aandeed nam Henri een dag vrij en ging hij ernaar kijken. Wat een feest: eerst reclamekaravaan, daarna de begeleiders, de motards, de politie, de renners, het peloton en de ploegleidersauto’s.

Marthe was hun lieve dochter, een stevige meid van tegen de vijftig. Marthe was verpleeghulp voor het hele dorp. Ze was getrouwd met een huisarts; samen runden ze de praktijk. Ze hadden Henri en zijn vrouw een kleindochter geschonken, Dorine – ook alweer zestien.

De Tour in Bretagne. De kans dat ‘opi’ Henri het circus nog één keer in levenden lijve zou kunnen meevieren, leek uitgesloten. Henri was ver over de helft, veel meer mocht hij van het leven niet verlangen. ‘Veel is er niet meer over van wat nog komen gaat,’ had Rosette in een filosofische bui eens voor zich uitgesproken.

Ineens was het idee geboren: Marthe zou met Dorine naar Saint Cadou gaan. Het dorp lag aan de departementale weg naar finishplaats Landerneau. Marthe en Dorine speelden amateurtoneel bij de plaatselijke rederijkers, en ze besloten een scène te schrijven over wielersupporters langs het parcours.

Marthe had vrijdagavond een flink stuk karton uit de kelder gehaald, ze had haar viltstift gepakt, en het attribuut zou morgen met haar meegaan naar de koers. Tegen Henri had ze gezegd dat hij thuis naar de tv moest kijken. Wie weet zag hij nog wat bekenden.

Marthe en Dorine hadden al gauw een goeie plek gevonden. Toen de renners naderden, gingen ze posten op twee kanten van de weg. Marthe hier, Dorine aan de overkant. Zo kon Dorine mooi foto’s maken van haar moeder, die probeerde in beeld te komen bij de tv-camera op de motor.

Daar komen ze.

Daar zijn ze.

Dat waren ze – zou Wilfried de Jong ooit in het theaterstuk ‘Munkzwalm’ roepen.

Maar… Wat het zuivere zingen der banden had moeten zijn op deze zo wielerhistorische dag (uit: Jules Deelder), werd op slag de omgekeerde wereld door een valwind boven een totaal verrast peloton. Het ontaardde in een alles verpletterende valpartij.

Op het moment dat Marthe haar karton had uitgevouwen en vrolijk oogcontact zocht met de motorcamera, voelde ze een oplawaai van een renner die haar velde. Haar wereld werd op slag inktzwart.

Thuis in Suzin zag haar vader alles gebeuren. Vijftig renners en fietsen donderden over elkaar heen. Henri stamelde: ‘Maar die met dat bord daar, dat is toch onze Marthe…!!??

Marthe, kartonnen bord in haar handen waarop in sierlijke letters gekalligrafeerd: ALLEZ opi-omi!

Ze hoorde die avond in het Franse Opsporing Verzocht dat de politie op zoek was naar een vrouw van 45-50 jaar, blauwe denim broek, geel jack, kleine donkere zonnebril, gemiddeld postuur. De vrouw schrok zich kapot; de hele zondag zou een trauma haar achtervolgen.

Mathieu van der Poel won op de Mûr-de-Bretagne de tweede Touretappe en was de nieuwe geletruidrager. In de alles overtreffende trap Groots. Hij opende het flashinterview stamelend met de woorden ‘I have no words…’ Maar hij kon zijn gele trui wél opdragen aan zíjn ‘opi’.

Marthe Duchanel wist dat ook háár daad de waarheid was. Minder vrolijk, maar wel écht gebeurd.

(Om redenen van privacy zijn de gebruikte namen gefingeerd – behalve die van Mathieu van der Poel. PO)


Gedurende de Tour de France zal er in dit weblog dagelijks een column verschijnen, geschreven door John Kroon, Peter Ouwerkerk en Jeroen Wielaert.

LINK NAAR FRAGMENT VAN DE NOS



Beeld: Cor Vos © 2021

Leave a Reply