JAN DE SESSIESMAN

tssssjj… tjsssjjj… pediepedapedoe… diedodoeoe…


Door JOHN SCHOORL

Jan Legrand. Hij kon betoverend met fietsen fluisteren; was niet voor niets een pure liefhebber. Hij was de hoeksteen in de sucessen van de ploegen van Peter Post. Hij leverde topmateriaal voor onder andere de WK-titels van Gerrie Knetemann en Jan Raas. Hij kon er ook geweldig over vertellen. Beeldend, in een volstrekt eigen idioom. Maar: hij had nog andere passies. Vissen En Jazz. Al dat gefiets kon hij zo inruilen voor de tenorsax van Barend Middelhoff. Die avonden, mán! ‘Zo’n kwartetje is geil!’

In de zomer van 2004, beschreef John Schoorl voor De Muur #06 een bijzondere jazzsessie met Jan. Op 29 juni 2021 blies Jan Legrand zijn laatste adem uit. 84 jaar.

 

 

Jan houdt van jazz, net als hij van kleine, gebakken tongetjes houdt.

Vier van die gasten die elkaar opzoeken, diep in de ogen kijken en brullen tot het ergens licht wordt.

Niemand kan ze bijhouden, want ze zijn op weg naar iets waarvan niemand weet waar het ligt.

Ieder doet zijn eigen solo – eerst hij, dan hij, dan hij en dan hij – en als ze allemaal zijn geweest, begint het opnieuw.

Zo lossen ze elkaar af, totdat de avond voorbij is en de rochels uit de saxofoon druipen.

In een jazzkwartet ben je nooit alleen, behalve als je naar buiten loopt. Ja, de kou in. De pestpokkenkou in, en geen taxi te vinden. En je auto, als ie al niet gestolen wordt door een of andere teringlijer, kan je ook al niet voor de deur kwijt. Wat is er toch aan de hand in dit kutland?

Jan houdt van Barend. Hij ziet hem graag spelen, omdat Barend graag speelt. Hij is een aardige jongen en niet brutaal. Jammer dat hij in Parijs zit, en dat hij hem zo weinig ziet. Maar als hij in het land is, en Jan weet waar hij optreedt, dan komt hij.

Hoor toch die sound!

Het is net of hij zijn wangen volpropt en dan ineens, met alles wat hij heeft, het er weer uitblaast. Hij smeert alle hoeken en gaten dicht met weelderig geparfumeerde cilliputti. Het is mooi, van mooi van zijdezacht, en hard, als het hard als glas moet zijn.

De hele godvergeten stad moet zijn mond houden. En luisteren, ja goed luisteren, want goed luisteren kost niks.

Het gaat hier om gasten met hart voor de zaak, voor wie poen hetzelfde is als regen. Het komt, maar als het niet komt dan zal het allemaal wel.

Laat hij het zo zeggen: aan een fiets heb je niks, het gaat om de kerel die erop zit, die moet het doen. Net als met een tenorsaxofoon. Daar moet je ook een goeie vent bij hebben – een vent als Barend.

In het wielrennen had je ook van die bezeten jongens – denk maar aan Roy Schuiten die het werelduurrecord wilde verbeteren.  Jongens die hun tong konden laten trappen, die met hun huig konden remmen. Als je hard moet fietsen, moet alles in je hard fietsen, en alles naar hetzelfde punt wijzen.

Je moet in positie staan.

Zo’n kwartetje is geil, ja echt geilgeilgeilgeil. Net als zo’n klein gebakken tongetje in de boter, overgoten met roquefortsaus.

Zijn tong draait rondjes door zijn mond. Zijn vingers trommelen als drumsticks op de tafel van café The Old Quarter in Amsterdam. Het kwartet speelt Round Midnight. Hij zit recht, en dan weer gebogen, z’n Northstate-sigaret wiebelend in zijn mond en tussen twee slokjes van het Duvel-bier roepend: Ja! Goed! Po-wer! 

Jan Legrand (67) houdt zijn hele leven van jazz, al was het moeilijk met wielrennen te combineren. In de volgauto van de Raleigh-ploeg wilde hij wel een bandje opzetten met jazz, maar daar hielden die anderen niet van.

Die hielden van rotmuziek.

 

Mechanic Jan Le Grand (TI-Raleigh) and Dietrich “Didi” Thurau – photo Cor Vos

 

Ja, nu. Nu heeft Jan alle tijd. Van het wielrennen moet hij niets meer weten. Daar zien ze hem niet meer. Da’s geweest. Dat ligt al zo ver achter hem dat hij het niet eens meer kan zien. En dan ze kunnen wel zeggen dat hij de beste mecanicien van de wereld was, die voor grote renners als Raas, Merckx, Gimondi en Anquetil wonderen verrichtte, daar heeft hij toch helemaal geen donder aan.

Hij is er niet meer bij, en dan moeten ze niet doen alsof hij er nog bij is.

Geen Duvel geen bier.

Geen Northstate geen sigaret.

Geen jazz geen muziek

Geen mecanicien geen wielrennen.

Jan is een sessiesman. Muziek alleen zegt hem niks, hij moet er snoeten en snufferds bij hebben. Hij kijkt in de krant en houdt in de gaten welke kop in welk tentje speelt. Op het North Sea Jazz Festival zien ze hem niet. In de drukte van dat werkhuis raakt een mens zichzelf kwijt.

Dat je niet weet wat er gaat gebeuren, da’s het mooiste van een sessie. Soms is het helemaal niks en soms gebeurt er iets dat zo, ja hoe zal hij het zeggen, zo ongelooflijk mooi, zo verbijsterend groot en, ja hoe kan het nog anders zeggen, indrukwekkend is. Ja, dat is het woord. Indrukwekkend – wat een gek woord eigenlijk.

Als een sessie goed is, schopt het je uit je schoenen om je ergens in een ver land te laten landen. En als ze een slechte dag hebben, heeft niemand het door. Dat stoppen ze weg, zonder dat je het in de gaten hebben. Alleen aan het einde snap je dat het niet goed was. Maar vraag niet waarom – dat gaat zo bij jamsessies.

Die jongens zijn bij elkaar en dan moet er wat gebeuren, en niemand weet wat. Ze doen het met zijn vieren, omdat ze nou eenmaal met zijn vieren op een podium staan… Dat had je in het wielrennen toch ook. Dan waren er vier gasten bij elkaar en dan ging het vanzelf. Ze hoefden elkaar niet eens aan te kijken, want het was kakken zonder douwen.

Trappen!

Blazen!

Je kunt ze aan Barend, al kan je ze er nu niet bij hebben. Het kan even duren, en dan heb je ze. Misschien is het te vroeg, want je zit er net. Je moet nog groeien en je kent de weg nog niet. Als je de weg kent, weet je hoe het parcours loopt. Dan is het van zus en zo, naar zus en zo en klaar, en speel je ze allemaal naar huis.

Je hebt toch die 1400 francs, Barend? Dat is toch het begin. Waren dat ouwe francs? Godverdomme, die waren nog uit de Tour de France. Die had ik nog ergens liggen.

Barend Middelhoff staat op de Boulevard St. Germain, schuin tegenover Café de Flore, en zet zijn Selmer-toeter neer om zijn mobiele telefoon beter vast te kunnen houden.

Dat hij hier staat, heeft hij zelf ook niet bedacht. Opeens was hij in Parijs, omdat hij twee keer rechts afsloeg, drie keer de weg zocht en er opeens een geel jurkje in de straat wapperde.

Ja Jan.

Parijs is goed voor wielrenners maar niet goed voor tenoristen. Wielrenners vinden hier de moederschoot, maar blazers voelen zich hier nooit thuis. Ze gaan alleen maar steeds verder weg. Er is geen begin en geen finish. Ze draaien rondjes tot ze er dol van worden.

De Champs-Élysées voor jazzmuzikanten ligt op de bodem van de Seine. Niemand maakt het een donder uit. Niemand staat te wachten op een Nederlandse jazzmuzikant.

Eerst komen de negers, en dan vooral de Amerikaanse beroepsnegers, dan komen de Franse muzikanten en die vinden dat je dood kan vallen.

Een Nederlandse blanke blazer is een wielrenner zonder tijdritbenen, klimvermogen en heeft op zijn reet zoveel steenpuisten dat zitten iets is geworden van horen zeggen.

Een Nederlandse blanke blazer komt er wel – maar het duurt wel heel erg lang, als je er al komt. 

Dat zwarte cats als Dexter Gordon, Miles Davis en Charlie Parker hier in de jaren vijftig door Jean-Paul Sartre en Pablo Picasso als helden werden binnengehaald, wil niet zeggen dat daarna elk jazzmuzikant zo’n warm onthaal krijgt.

Niet voor iedereen wapperende lokken van Juliette Greco en Jeanne Moreau.

Je kan ze hebben, Barend. Ze mochten willen dat ze zo’n sound hebben. Je bent een echte kampioen. Je bent onze Sonny Rollins.

Ja Jan.

Jan Legrand was een lulrenner, die blind ging op de fiets. Hij deed het te graag, en dat was verkeerd. Dat hij toch nog tot zijn 33ste als beroepsrenner en stayer zijn brood verdiende, maakte achteraf gezien geen zier uit. Met weinig peper en veel eer, kom je er niet.

Als kleine jongen rommelde hij al bij een fietsenmaker op de hoek. En toen zijn wielerloopbaan aan appelflauwte ten onder ging, pakte hij zijn bakkie met sleutels en liep Olympia’s Tour binnen.

 

Jan Legrand en Peter Post (TI Raleigh)

 

Peter Post herkende in Legrand de belangijke steunpilaar van zijn ploeg. Hij was de beste mecanicien die er was, vindt Post nog steeds. Een tovenaar zelfs, die van 1970 tot 1993 aan verschillende ploegen verbonden was.

’s Avonds als hij in zijn zaak in Amsterdam aan de fietsen zat te sleutelen, luisterde hij naar jazz. Het gekets van ijzer op ijzer werd afgewisseld met tssssjj… tjsssjjj… pediepedapedoe…. diedodoeoe…. pediepedapedoe…. diedodoeoe…. tjsssjjj…  tsjjjjjj… Wat hij hoorde, daar begreep hij geen sodemieter van.  Hij was er niet mee opgegroeid, want thuis hadden ze niet eens een radio. 

Maar wat gebeurde daar allemaal? Nog steeds weet ie het niet. Die blazers, zo’n jongen achter de piano, die bassist die er toch maar mooi staat. Dan konden ze hem wel een magische mecanicien noemen, maar – halo halo – dat drummen, dat is pas een karwei. Kijk naar al die delen waar je een geheel van moet maken. Het moet kloppen en swingen, en het hele zooitje dient in elkaar te grijpen.

Zo’n drummer is de grote motor, en die anderen rijden er achteraan.

Neem nou Johnny Engels, da’s de grootste drummer die er bestaat – als ie tenminste niet met een stelletje klootzakken moet spelen, want dan wordt het niks.

Hij is jazz. Hij is een maniak. Johnny, Barend, samen met organist Carlo de Wijs. Die jongens doen het samen, maar ze blijven op zichzelf. Meer wil een mens niet horen.

Na het werk in zijn knutselhok struinde Jan altijd de Amsterdamse binnenstad af of er nog ergens werd gejamd. Zo deed hij dat vroeger al en zo kwam hij in jazzclub Casablanca de legendarische Surinaamse blazer Kid Dynamite tegen. Hij raakte de verwaarloosde Chet Baker in De Kroeg bijna aan, hoorde Stan Getz en luisterde naar de droomtonen van Don Byas, die in Amsterdam woonde en met een bootje in de gracht viste.

Als hij in de winter naar de fabriek van Raleigh reed, pakte hij op de terugweg concerten mee in de Londense jazzclub Ronnie Scott’s. Zag hij toch mooi Gerry Mulligan voor zijn eigen ogen toeteren.

Tijdens de Ronde van Romandië was hij in de buurt van het jazzfestival van Montreux en ging hij naar een paar optredens kijken. Het was toch vlakbij het hotel. Als er jazz viel te beleven, ging hij er op uit.

Andere jongens wilden nooit mee. Waarom zouden ze?

Hij kon die renners uitleggen dat doorboringen in het stuur en de voorvork goed waren. Hij kon ze aan het verstand brengen dat er lichtere boutjes op de voor- en achteras kwamen. Wil je lichte buizen of niet te gladde zadels?

Blootliggende remkabeltjes? 28 of 32 spaken? Verzet: 52×14, dan wel 53×15?

Alles was mogelijk, maar kom niet met jazz aan. Dus hield hij de jazz voor zich. Als er even geen jazz was, was het ook goed.

Want hoe moest hij aan wielrenners uitleggen wat een jazzmuzikant na het aftellen – one, two, one, two, three, four – bezield. Hij probeerde het niets eens. Wielrenners zagen de jazzwereld als een wegens de hitte onbewoonde woestijn.

Bij de presentatie van de Buckler-ploeg, jaren later, hadden ze eens voor de verandering een jazzkwartet neergezet. Geen hond luisterde. Sodemieter op met je gepiel. Stel je een bonkige Brabantse wielrenner voor die in een rokerige kelder mee zit te grooven – onmogelijk. Alleen Jean-Marie Leblanc, de directeur van de Tour de France en jazzmuzikant in zijn vrije uren, begrijpt Jan, al hebben ze het er nooit over gehad.

Barend pakt zijn saxofoon en loopt naar buiten, richting Gare Du Nord. Hij is op weg naar een gig in de Duc des Lombards, de belangrijkste jazzclub van Frankrijk. Niet langer is hij de vermomde Italiaan in een Italiaans combo voor feesten en partijen (‘mond houden, Ba-rent’), want maakte zelfs samen met de onoverwinnelijk geachte Franse topmuzikanten een cd.

Ook in de Duc de Lombards speelt hij weer zo achteloos fluweel. Net zoals hij een dag eerder in De Kelder van Vergetelheid als gastspeler iedereen zonder opzet wegpoetste.

Hij heeft ook een goed huis nu, en een mooie Italiaanse vriendin. Hij huurt zijn appartement van een Afrikaanse die via internet in contact was gekomen met een Canadees met wie ze trouwde om een groene kaart te bemachtigen. Ze wilde graag strippen in Las Vegas.

Eerst woonde hij in het huis van de ouders van Siegfried, een Franse jazzdrummer die van wielrennen houdt en de godganse dag aan zijn kop zeurde over Eruk Dekkeur en Maikeul Boogeurd. Elke ochtend stapte Siegfried op zijn fiets in Rabobank-pak.

Hij drumt beter dan hij fietst, al had hij dat zelf liever anders gewild.

Barend houdt van schaatsen. Maar in Parijs kan je wel fietsen maar je kan er niet schaatsen. De Seine bevriest niet. Als het echt koud wordt, gaat hij naar Nederland en vliegt hij in vliegende vaart de Noord-Hollandse sloten op.

Wie Jan precies was, wist Barend niet. Al stond hem wel iets vaags bij dat hij iets legendarisch was geweest bij de ploeg van Peter Post. Barend vroeg er eigenlijk nooit naar, omdat Jan er nooit over praatte.  Hij was er altijd bij geweest, zo ging het verhaal in de jazzscene, hij was erbij toen Zoetemelk de Tour de France won en hij was er  mede verantwoordelijk voor dat Nederland als wielernatie  wat voorstelde.

Jan was de man van de fietsen, en dat is net zoiets als die cats waar muzikanten hun instrumenten kopen. Dat zijn belangrijke gasten, die heb je nodig. Want birds zoals Jan weten hoe dingen in elkaar zitten.

In café Elza in Amsterdam kreeg hij in 1997 een biertje van ‘m aangeboden. Ik wil geen bedankjes, zei Jan. Jij moet spelen, dat is wat jij moet doen. Jij kan heel goed spelen. Elke zondagavond, als Barend in Casablanca de jamsessies leidde, zat Jan in de hoek. Duvel erbij, Northstate in zijn mond. Hij zei niks, hij klapte alleen maar of trommelde met zijn vingers op zijn dijen.

Na zo’n sessie kwam Jan naar hem toe. Hij wilde dat hij op zijn verjaardag zou spelen. Jan huurde een zaaltje en zijn hele familie verscheen in het zondagse pak. Opeens stond hij op en zei:

En nu allemaal koppen dicht. Hier is Barend Middelhoff.

Hem mag niks te kort komen. Die jongen staat niet in het wilde weg te toeteren.

Barend heeft Jan al een tijd niet meer gezien. Hij hoorde in de scene dat het niet goed met ‘m ging, nadat zijn broer was overleden. Barend maakte zich zorgen, wat hij was op geen enkele sessie te zien. Hij kreeg het gevoel dat er iets aan de hand was, omdat hij ook niet op telefoontjes reageerde. Ook Peter Post kon niet vertellen waar hij uithing. Hij leek onvindbaar.

Als Jan een half uur voor de sessie The Old Quarter binnenloopt, omhelzen de mannen elkaar. Via zijn zoon Michel had hij gehoord van het optreden. 

Het gaat beter, zegt Jan. Het is pappen en nathouden. Maar jazz is altijd goed.

Het gaat goed in Parijs, zegt Barend. Hij kan ze hebben, die Fransen.

Jan lacht.

Barend speelt.

Jan houdt van vissen, net als hij jazz houdt. Vissen is net zoiets als naar jazz luisteren. Heel lang gebeurt er niks, en ineens heb je beet.  Als ze los zijn, blijven ze weg. Zitten ze vast, dan haal je ze binnen.

Jazzmuzikanten kunnen ook ineens weg zijn, net als wielrenners. Ze kunnen verdwalen in hun geluid, ze dalen af in hun instrument en zien niets anders dan een hele lang weg vol nieuwe noten.

Kijk naar Barend, kijk naar die jongen. Zo sta je gewoon wat te praten en zo staat hij daar op het podium als een volstrekt vreemde die dingen maakt die je niet kan zien.

Dat mysterie, die echte magie, dat spreekt hem aan. Dat je jezelf zo maar wegtovert, ver weg van alles.

 

Leave a Reply