Hoop doet de Tour de France leven


MUR DE FRANCE


Door: Bert Wagendorp

De Tour de France wordt altijd gewonnen door de renner die het eerst de twijfels bij zijn tegenstanders weet weg te nemen, namelijk de twijfels aan wie de sterkste is: hij en niemand anders. Dat is het moment waarop de tegenstanders elke illusie laten varen, de strijd is beslist en die om de tweede en derde plaats ontbrandt.

   In elke Tour zit zo’n psychologisch kantelpunt, waarin feitelijk de overgave wordt getekend, terwijl er nog voldoende gelegenheden lijken te zijn waarin de leider kan worden aangevallen. Dat gebeurt, als de hiërarchie eenmaal vaststaat, zelden. Het peloton heeft zich bij de status quo neergelegd en de superioriteit van de leider erkend. Meestal doet het omslagpunt zich zo halverwege de tweede Tourweek voor.

   Wie er als eerste in slaagt zich de positie van de onaantastbare te verwerven, wint de Tour. De verslaggevers schrijven hoopvol dat er nog een paar zware etappes komen waarin de leider nog maar overeind moet zien te blijven, de renners sluiten niet uit dat het tij alsnog in hun voordeel zal keren. Dat moeten ze van hun sponsor en ploegleider. De realiteit is, dat alleen het noodlot nog voor een verandering van wat al is voorbestemd kan zorgen. Maar doorgaans lijkt ook het noodlot zich bij de situatie neer te leggen. De nummer twee stort in een ravijn, de nummer één zelden.

   Er zijn uitzonderingen op deze regel. De eerste Tour die ik voor de Volkskrant versloeg was die van 1989. Daarin deed zich het gelukkige feit voor dat er drie renners waren die de anderen ervan probeerden te overtuigen dat ze kansloos waren en dat er maar één de beste was: Laurent Fignon, Greg Lemond en Pedro Delgado. Geen van hen was bereid zich neer te leggen bij de hegemonie van een van de andere twee. Dat leidde tot het mooiste gevecht in de na-oorlogse Tourgeschiedenis. Tot grote vreugde van alle aanwezigen begonnen ze als drie bronstige mannetjesherten tegen elkaar op te springen. Pas op de Champs Elysées trok Lemond de zege naar zich toe.

   Grotere teleurstelling dan die van Laurent Fignon, op een bankje achter de finisch van de beslissende tijdrit, heb ik nooit meer gezien; hij kon zich nóg niet neerleggen bij het feit dat hij was verslagen. Jarenlang vermeed Fignon – een Parijzenaar – de plek waar zijn verlies definitief was geworden.

   Maar zo’n fantastisch drama is zeldzaam. Onder de dictatuur van Miguel Induraín en later die van Armstrong stond al bij de start van de Tour vast wie er zou gaan winnen. Dat gebeurde ook nadat Sky de hegemonie had overgenomen. Alle andere Tourfavorieten wisten: we moeten nog beginnen, maar we zijn al geklopt. Dat kwam uiteraard de spanning van de wedstrijd niet ten goede. Van de weeromstuit begonnen de media meer aandacht te besteden aan de strijd om het podium – een wanhopige en treurige keuze in een sport waarin maar één plek ertoe doet.

   In de Tour van dit jaar is de strijd om de top van de apenrots nog in volle gang. Roglic wierp op weg naar Orcières-Merlette de teerling, maar van hegemonie is nog geen sprake – onder zijn concurrenten leeft de hoop nog volop. Er zijn nog zeker tien renners die ervan uitgaan dat het moment waarop de anderen zich overgeven en erkennen dat er maar één de beste onvermijdelijk moet komen.

   Hopelijk duurt dan nog een hele tijd – bij voorkeur tot de tijdrit naar La Planche des Belles Filles op de laatste zaterdag.

   Dan wordt het een geweldige Tour de France.


photo VK/PN/Cor Vos © 2020


Leave a Reply