EEN FOTO UIT 1974


Auteur: Mart Smeets

Hoe ik eraan kom, weet ik niet. Iemand moet een zolder of garage opgeruimd hebben en bij het zien van een enorm aantal foto’s gedacht hebben: wat moet ik hiermee? Het zijn er honderden; Ajax, schaatsen, fietsen, Atje Keulen-Deelstra, DWS in het Olympisch Stadion. Allemaal herinneringen aan een bijna onaantastbaar verleden.

   Opeens zag ik deze foto, drie wielrenners rijden ergens en ik wist meteen waar het was en wie het waren. Waarom? Omdat ik waarschijnlijk naast de motor van de fotograaf heb gereden in dezelfde koers.

   Het was de Amstel Gold race van 1974 en ik was groener dan gras.

De NOS radio had me meegenomen naar het Limburgse land om vanaf de motor verslag te doen van de klassieker die het toen nog lang niet was. Ik zat achterop bij Raymond Nackaerts, een eik van een Vlaming, een stille man die mij rondreed door het peloton en me, in een middag, de kneepjes van het vak leerde.

   Hij vertelde me welke ploegleiders ‘zot’ waren, welke altijd gevaarlijk reden, welke mannen hij wantrouwde in alles en welke in zijn optiek wél konden. Dat waren er overigens niet veel. Althans voor deze superrustige, aardige en ook wel lieve man die geen idee had wie die leptosoom was die bij hem achterop geklommen was.

   ‘Wilde ge rap bij de kopgroep komen?’ schreeuwde hij en ik schreeuwde ‘ja’ terug. Raymond gaf gas en dat was de eerste maal in mijn leven dat ik, zittend op een 750cc motor harder dan honderdtwintig kilometer per uur reed. De wind blies mijn vullingen uit mijn tanden, maar gaf me wel zo’n waanzinnige kick dat ik hoopte dat ik meer van dit soort koersen mocht gaan verslaan.

Wat ik van de koers wist?

   Niets, of bijna niets. Ik kende de namen van de toprenners van die dagen, maar waar we reden? Het moest Limburg zijn, dat was zeker, maar waar?

   Gek, maar dat gevoel is me tot dertig jaar later bijgebleven: als je in Limburg de koers volgt en je niet een heel klein beetje de plaatselijke topografie hebt bekeken, heb je geen idee waar je rijdt en hoe het volgende dorp heet.

   ‘t’Is hier alles hetzelfde,’ bromde de man voor me en reed zijn motor tot vlak achter de koplopers. ‘Voila,’ zei Raymond en ging, hoe kon het in Godsnaam waar zijn, al rijdend proberen een sigaret aan te steken.

   Ik keek naar de renners schuin voor me. Ik herkende een man: Hennie Kuiper. De Olympische kampioen van München (waar ik bij was in 1972) reed in het shirt van Rokado, de Duitse ploeg. Toen al vroeg ik me af waarom Kuiper voor een Duitse ploeg reed. Waarom geen goede Franse, of desnoods iets Italiaans, dat dan weliswaar erg naar maffioso riekte, maar de goede renners kwamen toch uit die rijke ploegen, nietwaar?

   Kuiper trok grimassen over zijn volle gelaat; forceerde hij hier de boel?

   Ik had geen idee hoe de driemansgroep tot stand gekomen was. Radio koers was in die dagen nog niet erg op punt, om een Vlamisme te gebruiken. Eens in de zoveel tijd kreeg je over de koersradio te horen wie er waar reden, maar een soepele verklaring voor het koersverloop moest je pas na de koers gaan opvragen bij de renners.

   Kuiper nam veel kopwerk voor zijn rekening, zag ik toen al.

   Een andere renner, in het shirt van Carpenter Flandria, bleek volgens mijn starlijst, die ik zorgvuldig opgevouwen in de achterzak van mijn jeans had gestopt, Wilfried David te heten. Hij droeg een bril en schuwde het kopwerk niet. Van hem had ik nooit gehoord, maar Raymond noemde hem, op mijn schreeuw-door-de-wind, ‘een goed coureurke’.

   Daar moest ik het maar mee doen dus.

   Vraag was alleen we de derde man was, van een Franse ploeg.

Hij deed opmerkelijk weinig kopwerk en ging verborgen achter een tamelijk grote bril. Neen, geen zonnebril, maar gewoon, een kijkbril, eigenlijk net zoals de Belg David die een goed coureurke heette te zijn.

   Ik probeerde het rugnummer van de man van de Franse ploeg te zien, maar er zat een vreemde knik in het shirt op de rug. Onleesbaar dus.

   Welke Fransman was dit en waarom deed hij louter lichte kopbeurten?

   Vijf minuten later, nadat we bij de wagen van de koersdirecter langs waren gegaan, wist ik het. De man heette Gerrie Knetemann, een oud-renner van de Amstelploeg en nu ineens opgenomen in de keurtroepen van Gan Mercier. Ik wist dat Joop Zoetemelk daar als kopman reed en dat Joop Gerard Vianen als een soort persoonlijke lijfwacht meenam naar moeilijke wedstrijden.

   Ook de Zeeuw Cees Bal had in deze ploeg een onderkomen gevonden, maar dit was dus Gerrie Knetemann.

   Van hem wist ik dus één ding: hij had bij de befaamde Amstel-ploeg gereden.

   Mooi, maar daar kon ik dus geen uitzending mee vullen.

   Een tweede bezoek aan de wedstrijdleiderswagen leerde me al iets meer: hij was stratenmaker in Amsterdam geweest en was wel de meest Mokumse renner in dit peloton. Hij scheen grappig of leuk te zijn en soms gevat uit de hoek te kunnen komen.

Op enig moment reed die Knetemann de andere twee gewoon uit het wiel. De Belg klampte al enige tijd aan en Kuiper was moe naar het vele kopwerk dat hij gedaan had. Ja, het was gekkenwerk geweest, maar toch, hij had zich getoond aan het wielervolk langs de kant van de weg.

   Ongemerkt had ik, gaande die koers, al sympathie voor hem opgevat. Ik hield van sporters die werkten en dat deed Kuiper dus. Dat Knetemann ruim zat te profiteren zag ik in de verste verten niet en die brave Belg met het uiterlijk van een koorknaap fietste mee, maar daar was alles dan ook mee gezegd.

   Vergeet niet, ik was noviet in deze wereld. Ik had weliswaar voor de NOS-radio de Ronde van Frankrijk 1973 gedaan, maar wat had ik, in hemelsnaam, van die leerschool overgehouden? Was ik ingevoerd in de duistere tactieken die in het profpeloton rondgingen?

   Neen.

   Noviet betekende dat ik het best kon inhouden en op veilig moest gaan. Geen analyses die ik zelf niet snapte, geen verhandelingen over het peloton achter ons waar we tot tweemaal toe waren gaan kijken, niets daarvan.

   Ik verwoordde wat ik zag en dat was, op enig moment, een solist, die nogal nerveus zijn bril steeds naar boven op zijn neus duwde. Noem het een tik, maar het was wel aardig om te zien.

   Deze drie renners, zo leerde ik tientallen jaren later, waren op de Koning van Spanje vertrokken en hadden onder impuls van vooral Kuiper een stevige voorsprong gepakt. Op de Keutenberg was Knetemann weggesprongen en had Kuiper, boos en grimmig qua uiterlijk, nog wel geprobeerd om in diens wiel te komen, maar de vogel was reeds gevlogen.

   Dus reed ik achter een solist in de zonnige zaterdagmiddag. Hij heette dus Knetemann en met een beetje mazzel zou hij voorop blijven. De tweede beklimming van de Keutenberg was goed verlopen en ik overdacht hoe ik mijn finishreportage gestalte moest geven.

   Moest ik Knetemann en diens tactisch vernuft gaan propaganderen?

Moest ik het nog hebben over de enorme inzet van Kuiper, die spartelend was achter gebleven? Of moest ik nog iets aardigs zeggen over die Belg, die noch goed, noch slecht reed, maar die niet de durf en kracht had om met de ineens briesende Knetemann mee te rijden.

   En wat wist ik nou eigenlijk van de koers?

   Nul, niets. Of in ieder geval bijna niets.

   Ik kon beschrijven wat ik zag en niet wat ik wist.

Knetemann won dus de koers en zijn voorsprong op de afsprintende grote groep van een mannetje of 25 was ruim drie minuten. Ik weet nu nog dat de vedetten Walter Planckaert en Walter Godefroot tweede en derde werden en gaf dat angstig precies aan luisterend Nederland door. Bij de eerste tien kwamen ook de namen voor van de Nederlandse renners Vianen, Jan Krekels en Tino Tabak. Vier man bij de eerste tien heette daar in Limburg een goed Oranjesucces te zijn en dus nam ik dat ook maar aan.

   Ik maakte nog een kort gesprekje met de winnaar die ik met ‘Mijnheer Knetemann’ aansprak en ik moest wel lachen om zijn gewiekste antwoorden.

   Later, veel later, is De Kneet daarop bij me teruggekomen. Hij vertelde me toen dat hij nooit meer met ‘mijnheer’ was aangesproken in het peloton en dat hij mij dus wel een speciaal soort verslaggever vond.

   Ik had toen nog niet het gevoel dat ik zoiets met ‘ja’ of ‘neen’ kon beantwoorden. Ik zei wat ik zag, ik had geen idee hoe je een koers moest lezen, anders dan het aan de man voorop de motor te vragen en dat was zo’n beetje mijn eerste Amstel Gold Race.

   De hele bups van de NOS pakte in en mij werd gevraagd of ik wellicht ook nog Luik-Bastenaken-Luik wilde doen. Ik bedankte voor de eer: ik moest een basketbalwedstrijd doen, het kampioenschap naderde. Ik weet nog wel dat we naar Amsterdam terugreden en dat ik ergens in een tent uitkwam met een serie nichten die onze producer bijna automatisch achter zich aan wist, maar ook een echt Amsterdamse kroegtijger die iets in schoolborden deed en die heel erg van het avond- en nachtleven genoot. Die man, wiens naam ik helaas kwijt ben, vroeg me, terwijl hij ongegeneerd aan de zachte borsten van een meisje naast hem stond te plukken, of ik wielrennen wel een leuke sport vond. Ik noemde het eerder interessant, maar wist niet of ik voor mezelf een toekomst in deze sport zag.

Het was eigenlijk bij toeval dat ik in Limburg was. Het had iets met de afwezigheid van radiopaus Theo Koomen te maken, maar zeker ben ik daar niet van. Ik was er omdat ik gevraagd werd door Kees Buurman, de NOS radio-baas, die me ook in de Tour had gehaald en nergens anders om. Ik sprak de wielertaal niet of nauwelijks en mijn vader, die speciaal naar de radio was gaan luisteren die middag, vertelde me twee dagen later, dat ik ‘te afstandelijk’ over wielrennen sprak. Ik zou meer naar mijn Vlaamse collega’s moeten gaan luisteren, want die spraken een taal die ik nog niet kende, zei senior.

   Moest ik erin doorgaan?

   Mijn vader vertelde me erg voorzichtig te zijn in dit milieu en hij zei het niet voor niets, hij kende deze wereld, want hij sponsorde al een jaar of tien wielerploegen en kende de mores binnen die wereld.

   Ik vroeg hem of ik het goed gedaan had. Hij wachtte even en zei: ‘Dat moet iedere luisteraar voor zich uitmaken…je had meer over die drie koplopers moeten vertellen, dan had je het interessant gemaakt. Het was nu net alsof je een zeilwedstrijd op het Brasemermeer begin mei zat te verslaan. Een wedstrijd zonder wind eigenlijk.’

   ‘Vond je het dus een onvoldoende?’ vroeg ik.

   Senior, een goede, bijna klassieke opvoeder, spaarde hier zijn zoon, maar toch ook weer niet. ‘Ik miste betrokkenheid,’ zei hij koel en pakte zijn krant op en las verder.

   Bij de radio vroeg een collega waarom ik de winnaar van de koers, Gerrie Knetemann, consequent met ‘mijnheer’ had aangesproken. Dat was ‘not done’ in deze sport.

   Ik liet alles op zijn beloop en ging dat jaar nog naar de Tour en deed mijn best de wielersport te leren kennen.

   Met Kuiper en Knetemann heb ik het lang goed gehad. De Kneet viel ineens weg, zo wij allen weten, het was op de nationale rampdag: 2 november 2004. Met Wilfried David heb ik nog weleens staan praten voor een koers. En Kuiper was ineens een beetje boos op me en steigerde. We probeerden het uit te praten in de stationsrestauratie van Zwolle. Of dat lukte, weet ik eigenlijk niet. Ik twijfel zeer.

   Zij waren de hoofdrolspelers in mijn debuut-klassieker. Ik was nieuw en wist niets.

   Totdat De Kneet, ergens in de Tour, een jaar of wat later, ineens aan me vroeg waarom ik daar in Limburg was, waarom ik voor wielrennen had gekozen (had ik niet, er was voor me gekozen) en waarom ik hem met ‘mijnheer’ had aangesproken.

   Ik antwoordde hem dat ik zulks bij vreemden altijd deed en hij knikte: ‘Als je daarin gelooft, moet je het doen.’

Ik geloof daarin.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Leave a Reply