EEN BESCHEIDEN POOL


Auteur: Mart Smeets

Ik moest onlangs verslag doen van een basketbalwedstrijd: Polen-Nederland. Het goed uitspreken van de Poolse namen geeft ons westerlingen soms wat moeite, werd me duidelijk. Een mevrouw, een Poolse mevrouw, die bij de koffieboer werkt, kon me, eerder al, een stuk op weg helpen, maar toch bleven sommige namen spreekwoordelijke bekbrekers.

   Ja kijk, bij Chopin (Poolse voornaam Frederyk) en Micolai  Copernicus en Madame Curie gaat het nog wel en ook Roman Polanski komt er goed uit, maar Joachim Halupczok wordt al iets moeilijker net zoals Jacek Wszola (de hoogspringer), terwijl Zenon Jaskula wel weer lekker bekt. Net overigens als Czeslaw (een beetje moeilijk) Lang (hartstikke makkelijk) of die merkwaardige voetbaldoelman Jan Tomaszewski, die op enig moment (op 17 oktober 1973) besloot dat Engeland tegen hem niet tot scoren kon komen nadat Allen Clarke via een penalty had gescoord en de Poolse keeper de 1-1 op het bord hield door een reeks onwaarschijnlijke reddingen te plegen in het Wembley Stadion van London: een historische daad, waar in Polen nu nog altijd met zachte stem over gesproken wordt.

   Op een of andere manier had ik door de jaren heen wel iets met Poolse sportlieden. De innemende, vroeg oud lijkende atlete Irena Szewinska is de Fanny Blankers-Koen van haar land, die prettige Poolse paus van weleer, die Karol Jozef Wojtyla heette en door het leven ging als Paus Johannes Paulus II, moet in zijn jeugd een uitstekende voetbalkeeper geweest zijn en een behoorlijk vaardig skiër. Hij sprak tien talen vloeiend en telde dan het ‘dank U voor de bloemen’ niet mee.

De merkwaardige wielrenner Halupczok viel op 25-jarige leeftijd dood neer, tijdens de opwarming voor een voetbalwedstrijd voor het goede doel. Alle aantijgingen dat hij veel te flink uit de dopingpot gesnoept had, konden niet bewezen worden.

   De zeer getalenteerde tijdrijder Czeslaw Lang reed een versnelling waar Thomas Wegmüller bang van werd. Als hij opstapte om Francesco Moser uit de wind te houden, had Moser grote problemen om in Langs wiel te blijven. De Kneet zei ooit: ‘Die Lang heb een brommer gemonteerd’ en zo leek het ook. Tegenwoordig is hij directeur van de Ronde van Polen, nadat hij goed geboerd had op de beurs en zijn toch al behoorlijke wielerverdiensten ettelijke malen had verdubbeld.

  En weet u hoe wij thuis mensen noemen die een echt lelijk, onregelmatig, scheefstaand, gelig gebit hebben? Dat is dus een ‘Jaskulaatje’, vrij naar de stoere Zenon Jaskula die het nog tot het podium van de Tour bracht: derde in 1993. Na die Tour won hij de criteriums van Maarheze en Panningen op vrij suspecte manier. Met een brede glimlach passeerde hij de finish, de tanden ontbloot. Mensen keken de andere kant op.

Polen dus. Vrijwel altijd vrij vrome mensen uit een katholiek land dat meer dan 38 miljoen inwoners telt, waar ooit de vader van Jean Graczyk geboren werd en die Graczyk kon daar niet genoeg geld verdienen om zijn familie aan het eten te houden en verhuisde op enig moment naar Frankrijk, hetgeen in die dagen ‘bon ton’ was voor Polen.

   Pa Graczyk ging werken in de machinebouw, zijn vrouw baarde een kind dat Jean genoemd werd en die jongen werd geboren in het midden van Frankrijk, in Neuvy-sur-Barangeon, niet ver van Vierzon. Dat gebeurde op 26 mei 1933. Op 23 juni van het jaar 1949 pas kreeg de toen al als jonge wielrenner bekendstaande Jean de Franse nationaliteit; trots liet hij zijn Franse paspoort zien: de wereld zou nog van hem gaan horen.

   Zeven jaar later bracht hij de zilveren Olympische medaille uit Melbourne mee, werd hij nationaal kampioen op de weg bij de amateurs en twee jaar later won hij al een etappe in de Vuelta en nam hij de groene trui mee naar huis uit de Tour van dat jaar.

Waarom deze uitgebreide opsomming? Omdat ik ooit in een perszaal, tijdens de Tour, botweg aan een tafel ging zitten, mijn tikapparaat uitpakte, er papier indraaide en toen pas naast me keek. Daar zat een man van een jaar of veertig, blond haar, smal koppie, redelijk klein en smal van stuk. Hij knikte, ik knikte en probeerde een openingszin.

   Vijf minuten later werd het in onze buurt lawaaiig. De grote sprintvedette van Frankrijk in de jaren zestig, de zeldzaam populaire André (Dédé) Darrigade, maakte zijn opwachting bij het journaille en omstuwd door collega’s naderde hij het gedeelte waar ik op mijn stukje zat te zweten. Ik kende inmiddels de kermis rond Darrigade en hoopte dat die lachende, kletsende lawaaimakersbende door zou lopen.

   Dat was niet het geval. Ineens bleef Darrigade staan, riep in het Frans enkele krachttermen, nam vijf stappen vooruit, greep mijn buurman bij de schouders en voerde een omhelzing uit die er wezen mocht. Ik keek toe en wist van niets. De twee mannen spraken honderduit, bleven elkaar vasthouden en fotografen snelden toe.

En daar zat ik als jongeling in de Tour. Ik moest voor dagblad De Tijd een stukkie maken, werd het een Frans knuffelfeest van een der beste sprinters ooit en de man die naast mij zat.

   Wie?

   Qui?

   Drie minuten later namen de twee afscheid en vertrok de optocht naar een ander deel van de perszaal. Mijn buurman ging weer zitten en lachte me, bijna verontschuldigend, toe: ‘Je m’excuse…uhhh votre travail monsieur…

   Ik schudde mijn hoofd, ‘Non, non, c’est d’accord…Darrigade…il est tres connu,  n’est-ce pas?

   De man knikte.

   Ik haalde flink adem en probeerde op keurige wijze de naam van mijn buurman te achterhalen. ‘Et votre nom…s’il vous plait?

   Hij knikte en begreep mijn vraag en mijn nieuwsgierigheid. ‘Moi je m’appelle Grazcyk, monsieur, Jean Grazcyk…

   Ik schrok van mijn eigen onkunde. Ik had hem kunnen, nee moeten herkennen. Van mijn vroegere schriftjes die ik van alle Tourploegen maakte. Ik stond op en gaf hem een hand, bood mijn verontschuldiging nogmaals aan dat ik hem niet herkend had en hij zei dat het niet erg was. Dat ik een buitenlander was, want ik had hem verteld dat ik uit Nederland kwam, Pays Bas.

   Hij vertelde nog meer. Dat hij door Felix Lévitan uitgenodigd was twee etappes te volgen en dat hij genoot van de aandacht. Ja, hij had ooit, in 1960, vier etappes gewonnen in La Grande Boucle. En tweemaal de groene trui en bijna Milaan-San Remo van 1960 en in 1963 nog vier etappes in de Vuelta. Hij had ook nog bijna de Ronde van Vlaanderen weggekaapt. In de laatste centimeters was Tuur de Cabooter nog over hem heen gekomen, maar hij had Rik van Looy, Gilbert Desmet en Ritten de Wolf toch maar mooi achter zich gehouden.

   Ik knikte en probeerde zoveel mogelijk te onthouden van wat hij zei. Ja, hij kende Jan Janssen goed, die had hij ook geklopt en Janssen hem en hij vertelde van zijn meer dan zestig sprintzeges en over het feit dat hij zich als nieuwe Fransman zo trots voelde in dit land.

   Ik vroeg hem of hij nog weleens aan het land van zijn ouders dacht, want iedereen in het peloton moest toch weten dat hij een Poolse Fransman was.

  Jean Graczyk keek me serieus aan en zei: ‘Ja, wel zeker, mon ami. Ik ben hier geboren, maar ergens diep in me leeft de Pool Graczyk. Ik wil er later, als de zaken daar wat opgeknapt zijn, nog weleens gaan kijken. Ja, ik kan de taal nog verstaan, maar niet meer erg goed spreken.’

   Ik ging verder met mijn verhaal en dankte de vriendelijke, kleine man voor het korte gesprek. Hij legde heel even een knokige hand op mijn schouder en liep langzaam weg. In mijn buurt, waar veel buitenlandse, dus niet-Franse journalisten zaten, werd hij niet opgemerkt en hij koos zijn weg naar buiten.

In augustus 1997 kreeg ik een ansichtkaart die gepost was in La Roche Canillac in de Correze. Het was een soort kaart die je heel soms tegenkwam in antiquiteitszaakjes en uitdragerijen. Mijn toenmalige uitgever, Dick Gubbels, wist dat ik zulke acties zeer op prijs stelde; beschaafde mensen sturen elkaar immers ansichtkaarten en liefst met verrassende afbeeldingen.

   Gubbels schreef: ‘Dat waren nog eens tijden toen. Nog fietsen met een bidon bovenop een gewoon stuur.’

   Ik draaide de kaart om en keek naar een prachtige, simpele foto van Jean Grazcyk, de Poolse Fransman. Ik vertelde het later aan Jan Janssen en die zei me dat Graczyk minstens zo snel was geweest als Darrigade, maar eenvoudiger was gebleven als mens. En ook: ‘Weet je dat hij een bijnaam in het peloton had? Iedereen noemde hem Popoff. Dat was eigenlijk een soort van scheldnaam in het Frans, maar Gaczyk zei daar nooit iets over. Hij lachte dan maar wat. Goede sprinter hoor, gevaarlijke man in korte etappes, ik heb menig duel met hem uitgevochten. Hij is veel te bescheiden gebleven.’

   Dat waren aardige woorden van Janssen.

   Die kaart met de beeltenis van Graczyk heb ik nog steeds.

   Mijn interesse in Poolse sportlieden ook.

   Waarom weet ik niet.

   Jean Grazcyk overleed op 27 juni 2004 in Vierzon, op 71-jarige leeftijd.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


 

Leave a Reply