DE VERJAARDAG VAN OOM EDZE


Auteur: Mart Smeets

Het zal U niet of nauwelijks interesseren, maar Oom Edze verjaarde en gaf voor zijn familie een oud-Groningse lunch op de zondag dat de profs in België hun hogere dan Hoogmis reden en dat land overspoeld werd met mooie, warme gevoelens over de koers en lichte haat tegenover Fransen.

Die lunch vond plaats in het uiterst petieterige dorpje Garnwerd, dat je moet zoeken in de buurt van Winsum, Groningen. Ik neem aan het thuistrainingsterrein van Bouke Mollema.

Oom Edze kwam daar al meer dan vijftig jaar, begreep ik, en nu had hij zijn familieleden (neven, nichten, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen plus aanhang) uitgenodigd. Ik was aanhang.

Vrij nonchalant had ik nog tegen mijn eega gezegd: ‘Maar die middag fietsen ze in België om de wereldtitel,’ maar die opmerking stuitte op een koel ‘So what?’. Waarop ik nog iets zei als: ‘Dat is dan voor het eerst sinds 1978 (Kneet klopt Moser) dat ik een kampioenschap mis.’ Daarop volgde andermaal een vrij snibbig ‘So what?’. Wij dus op pad naar een deel van het Groninger land dat ik iedereen kan aanraden. Adembenemend fraai, rustig tot in de derde macht en iets van twee uur en twintig minuten rijden vanaf mijn eigen televisietoestel thuis. Dat ding bleef die hele middag onaangeroerd.

Voor de volledigheid: er waren mensen uit Spanje, uit Washington State (waar mondkapjes nog steeds zeer verplicht zijn), uit Californië (daar weer niet), uit Brooklyn, de Achterhoek, Groningen stad, Hilversum, Leerdam, Haarlem en Zwolle gekomen. Allemaal voor die prachtige oude baas, die keurig in jasje met dasje, zijn familie zacht toelachte.

Oom Edze, moet U weten, was 75 en allang gepensioneerd toen hij nog een studie oppakte. Vier jaar later behaalde hij zijn doctoraal geschiedenis.

Ik denk dat ik de enige was die wist wat er tijdens de borrel, tijdens het (overheerlijke) eten, tijdens de donkere biertjes en behoorlijke wijnen en het luisteren naar een formidabele redevoering van de 95-jarige, een tamelijk belangrijke fietswedstrijd bezig was.

Als je bij Hammingh op de eerste verdieping mag eten en drinken, moet je een duivelse trap op en af. Gezien de gemiddelde leeftijd van het gezelschap werd daar op berekenende manier gebruik van gemaakt: niet te vaak. Klimmen was zwaar, dalen gevaarlijk. Het leek wel koers.

Mijn eerste plasstop vond plaats rond halfvier. Eenmaal buiten het mannentoilet kon ik me niet beheersen en trok ik mijn mobiel om even later een zeventienmans kopgroep te zien. Commentaar kreeg ik er niet bij en ik probeerde mannen te herkennen.

Even later vroeg een passerende wielrenner die via de achteringang binnen was gekomen voor een sanitaire stop: ‘Hé Mart, mis je de koers niet?’

Nonchalant schudde ik mijn hoofd: eigenlijk niet.

De man, een goede vijftiger in onopvallende racekleding, zei: ‘Alaphilippe gaat winnen, let maar op.’ Hij zei het met de zekerheid van een chirurg die aan het werk gaat, een vak dat ik hem spontaan toedichtte.

Ik zei: ‘Weet U dat of hoopt U dat?’

Hij knikte: ‘Dat laatste. Hij alleen kan iets tegen die grote golf van Vlaams chauvinisme doen.’

Ik knikte en snapte hem. ‘Prettige middag nog,’ zeiden we beiden.

Ik beklom de trap, moest halverwege weer bukken en viel terug in Oom Edzes geluk. Het toetje stond klaar en, eerlijk is eerlijk, mijn herinneringen aan de beelden van zojuist, de bijna herkenning (klein schermpje) en de wellicht opkomende verdere nieuwsgierigheid, ebden weg. Vrij snel zelfs.

Wat me, zittende bij het open raam aan de molenkant van het oude bouwwerk, wel de hele tijd opviel was de schier onafzienbare rij fietsers en wielrenners dat langs kwam. Geen tien of vijftig, maar werkelijk honderden…groepen en groepjes, jong, oud, heel veel twintigers op prachtig koersmateriaal, heel veel zwart of donkerblauwe kleding, zelden iemand die het aandurfde om in deze omgeving in een hip gesponsord shirt te rijden en helemaal niemand die op deze speciale dag de gore lef had om een wereldkampioenschapstruitje aan te trekken.

Verstand en gevoel worden in dit Groningse land met nuchtere letters geschreven; werkelijk helemaal niemand doet of durft dat. Een normaal of keurig opgevoed mens trekt zo’n shirtje überhaupt niet aan. Of je moet inderdaad wereldkampioen geworden zijn.

Elders in het land: wel zeker, heel wat vijftigers die in een XXL Arc-en-ciel-shirt hun zondagje fietsen vorm gaven, daar ben ik zeker van. Ik kom ze immers nog weleens tegen. Opportuun, idioot, grootsteeds machogedrag.

Al genietend van alles dat me voorgezet werd, bedacht ik wat dit grote peloton aan sportievelingen dat buiten langstrok ertoe bracht om juist deze middag de grote fietslussen boven Groningen te rijden, terwijl de belangrijkste wielerkoers van het jaar zich rond Leuven kringelde en de prestaties van de beste profrenners ter wereld op de televisie goed te zien waren.

Waren deze mensen niet geïnteresseerd in Van Aert, in Van der Poel, in de race met die priemende vraag: wie wordt wereldkampioen? Blijkbaar.

Ik telde nog eens wat groepjes fietsers die langsreden. Het waren werkelijk honderden sportievelingen. Sommigen stapten af, namen een consumptie, peddelden weer verder, brug over, het weidse, groene en o zo rustgevende Groningse land in. Wat nou WK?

Later, via de NOS-radio, hoorde ik de uitkomst van mijn eerste geheel miste WK wielrennen op de weg sinds vele jaren. Alaphilippe won dus, die mijnheer met die rustige blik en die Gazelle fiets had er kijk op.

Ik hoorde dat de Fransoos fluitconcerten en boegeroep over zich heen had gekregen. De van trots gloeiende Vlamingen waren al een week lang bezig deze zondag tot een Wout van Aert-dag te promoveren en daarna, als natie, geheel oeteltoetel bezopen van geluk te worden. Deze sport, deze kampioenschappen, waren immers de mooiste, de schoonste, zoals de Vlamingen zeggen, die ooit plaatsvonden. Hier, in dit Vlaanderenland, hoorde deze kampioenschappen thuis en zou, later op de middag, de Brabançonne tot in de hemel zo fraai gespeeld worden, dat wist men zeker.

Grappig en waar: driehonderd kilometer noordelijk van het strijdtoneel waarop de Vlamingen een onwaarschijnlijke domper te verwerken kregen ((chauvinisme blijft immers chauvinisme) en een podium met een gehate Fransman, een gehate Ollander en een min of meer geaccepteerde Deen voorgeschoteld kregen, was er werkelijk niemand die zich iets aantrok van dat gedoe in Leuven en omstreken.

Men fietste daar op eigen tempo door het vlakke Groningse land. Omdat het lekker was, gezond; het was een mooie, lekker warme zondagmiddag in september. Wat nou WK?

Dit was Oom Edzes verjaardagsfeest en ik legde me bij mijn lot neer. Overigens niet eens met chagrijn of een centimeter spijt. Ik had een fantastische middag gehad. We reden voorzichtig over de brug van het Reitdiep; het was goed zo. Vrede.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Fotografie: Cor Vos

 

 

 

 

Leave a Reply