DE STORTBADEN VAN ROUBAIX


Auteur: Mart Smeets

Ook als je een gepensioneerde oud-wielerverslaggever bent, blijf je op de mailinglijsten van menig wielerploeg staan. Ik zal eerlijk zijn: heel veel van die als nieuws vermomde kleine advertenties, gooit een mens weg. Ik toch. Delete.

   Op paaszondag zond het perscentrum van Deceuninck-Quick-Step ons een mandje met fraai gekleurde paaseieren, zijnde een kleine vier minuten beelden van kleine meninkjes, in het stonecoal Engels verteld door een paar mannen van deze ploeg (Stybar, Keisse, Lampaert en Declercq).

   Het was een keurig gemaakt filmpje dat zeker niet zou misstaan bij Sporza of de NOS. Prima gemaakt, met aandacht en liefde.

En ja, het was een heleboel Deceuninck, met de weleerwaarde paus van het wielrennen, Patrick Lefevere, aan de kop van het filmpje, maar het stoorde me toch niet.

   Het bracht herinneringen aan een ver verleden terug toen ze bij de NOS tegen me gezegd hadden dat ik voor de radio op de motor de koers mocht gaan volgen, iets dat ik vol graagte geaccepteerd had en waar ik, de maandag, dinsdag en woensdag ná die koers nog last van had: mijn ingewanden hingen door elkaar, mijn kont was blauw, mijn heupen stonden scheef en ik hield een week of wat pijn in mijn nek. Plassen deed ik door mijn oksels.

   Voor de rest vond ik het een gave wedstrijd om te volgen en had ik soms, met bibberende, overslaande stem, wat doorkomsten gemeld. In die dagen, moet ik bekennen, zag ik wielrenners niet als helden; het waren sportmensen die een voor mij nogal archaïsche wedstrijd reden.

   Gek om het nu te zeggen: ik heb ze eigenlijk nooit als helden gezien, net zomin als ik dat deed met voetballers, schaatsenrijdsters of veel scorende basketballers. Sportmensen zag en zie ik nog steeds als sportmensen en sinds enige tijd weten we toch wie werkelijk helden zijn, nietwaar?

   Ik deed dus de Hel achter op de motor, een jaar later als commentator in die ellendig (vaak koude) betonnen bak uit begin 1900 of zoiets, weer later ook als presentator toen we bij de NOS-programma’s  gingen ‘aankleden’ en eenmaal had ik het genoegen dat ik na afloop van de koers, een filmpje mocht maken voor de woensdag na de Hel.

   Een jaar eerder had ik van een Franse fotograaf een paar beelden gezien uit de toen nog onbekende ‘douches’.

   Ik zal proberen de situatie uit te leggen. Daar waar de renners de baan oprijden in Roubaix, stond, aan de linkerkant, een soort abattoir. Er was een lelijke bar in gevestigd, waar voornamelijk Vlaamse wielerfans zich te goed deden aan typisch Vlaamse biertjes en waar het muf rook, er was een benepen perszaaltje dat die naam nauwelijks mocht dragen. En er waren dus de douches.

   Ik wil niet zeggen dat ik de eerste was in het kleine peloton van filmpjesmakers, maar ik reed in ieder geval in de kopgroep mee, dat zeker.

   Er was dus een Nederlandse cameraman, die ik al hollend vanaf mijn commentaarpositie, tegenkwam en met hem liep ik even later de deur van de douches binnen.

   Hoe dat eruitzag?

   Cabines die aan een zwembad uit de jaren vijftig-zestig deden denken; steen, met overal een leiding en een kleine douchekop.

Ik weet niet hoeveel het er waren, maar ik schat (herinnering) vier of vijf rijen van minstens vijftien cabines. De hoogte van die dingen was beperkt; een beetje man stak er flink bovenuit. Ze moeten geplaatst zijn voor een jongens-college, dacht ik toen.

   Gedurende de eerste minuten dat we daar stonden, gebeurde er niets. Er liep een Franse meneer rond die moest controleren of wij wel een kaart om onze nek hadden hangen (dat hadden we) en verder dan een onderlinge hoofdknik waren we niet gekomen.

   Ik weet nog wel dat ik me die middag bedacht hoe het organisatiecomité de leden van wielerclub Roubaix voor die dag de diverse posities moest hebben ingedeeld. Hij, de zestiger die rond ons liep, heette misschien wel Marcel Dumont en hij had de opdracht in de douches erop toe te zien dat er de juiste mensen binnen waren.

   De blote mensen die met zwarte koppen, armen en benen binnenliepen zouden de renners zijn, de anderen, over het algemeen slecht geklede lieden, behoorden toe aan het volk der sportjournalisten die ineens een andere invalshoek voor De Hel leken te hebben gevonden.

   Met ons tweetjes van de NOS liepen er nog twee Denen rond en zes bekende ‘usual suspects’, de wielerfotografen die de finish hadden geknipt en nu op een holletje binnenkwamen.

   En daar kwamen de eerste renners. Of het iets gênants had daar met een cameraploeg te staan?

   Neen.

   Sommige renners knikten je gedag, Nederlandse renners groetten me bij naam en vertelden wat ze die dag meegemaakt hadden en wij maakten de beelden die we dachten nodig te hebben.

   De stilzwijgende afspraak daar was me binnen drie seconden duidelijk: geen schaam-shots, geen piemels, geen ballen, een blote kont vanaf de zijkant getoond, kon nog net.

   Waarom deze regels stilzwijgend aangenomen waren en waarom de mannen met de camera’s zich daaraan hielden, viel me toen op en nu nog steeds.

   Ik weet nog hoe fraai de beelden waren. Die zwarte koppen boven die blanke torsen, de beteerde, vuile benen en de schone voeten. De piemels die maatje vingerhoed waren geworden, de mannen met schaafwonden op dij en heup, de verwilderde blikken van de volgende binnenkomers die luid vloekend onder de stralen gingen staan, de Italiaan die langs liep en een ferme knetterscheet liet en meteen ‘Mi scusi’ zei en het ook meende. Het was een setting die bijna heilig genoemd mocht worden.

   We bleven er een kwartier en zagen een groot peloton langskomen, winnaars en veel verliezers. Hoewel, verliezers? Als je deze koers uit reed en als je het heerlijke lauwe water over je gegeselde ledematen kon laten lopen, was je toch geen verliezer.

   Een veteraan van een Duitse ploeg riep ons toe dat er een jaar eerder zelfs geen warm water was geweest en dat er een heel peloton stond te vloeken in wel acht talen.

   Nu hing er stoom boven de hokken, hoorde je mannen kletterend plassen en zelfs lachen. Ook pijn van deze middag bleek maar relatief te zijn. ‘Tot zaterdag’, zei een mij bekende Nederlandse renner die zijn torsje stond af te drogen.

   ‘Moet je rijden of wil je rijden?’ vroeg ik.

   Hij lachte terug: ‘Zevenhonderd keer afremmen en zevenhonderd en één keer aanzetten, denk je dat dat leuk is? Ik haat de Amstel.’

   Hij droogde, recht voor me, zijn pielemuis flink af en zei: ‘Die is ook een paar dagen op rust.’ 

   De NOS-cameraman draaide niet, zoals het hoorde.

   Het was eigenlijk de allermooiste Parijs-Roubaix die ik ooit heb meegemaakt en ik ben er bij een stuk of dertig of veertig geweest. Die ene keer, daar in de stortbaden (zoals de Belgen het zo fraai noemen),  was het misschien wel het grootste heilige moment dat ik ooit in een wielerklassieker meemaakte. Het aanzien van die knoestige, blote mannen, velen eng mager op de borstkas, nauwelijks gespierd in de armen zoals ik ze zelf in een heel andere sport altijd had meegemaakt, mannen met hoekige billen, mannen met flacons roze shampoo in de hand die aan hun zak stonden te krabben om zelfs daar modder vanaf te halen. Het had iets werkelijk magisch, iets sacraals.

   Toen me vier jaar later gevraagd werd nog eens zo’n reportage te maken, bedankte ik voor de eer. Twee jaar nadat ik er dat kleine filmpje had gemaakt, werd het fotograferen en filmen in de douches een must voor iedereen die maar een camera kon of mocht vasthouden. Na de koers stonden er meer mensen te knippen dan te wassen en te spoelen, begreep ik. Het leek er de Keukenhof wel.

Het magische was eraf; het was een wasstraat geworden voor iedereen met een rode Toyota.

   En Marcel Dumont was vervangen door sportschoolmannen met jasjes van de ASO aan.

   Nu, in de Corona-tijd, kregen we paaseitjes van Deceuninck in de vorm van goede beelden van hoe het ooit was.

   Als een soort zalving voor ons pijnlijk gedeukte leven.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


 

Leave a Reply