De kunst van het Michel worden


Michel ‘Mies’ Stolker is afgelopen maandag (28 mei 2018) op 84-jarige leeftijd overleden. In de jaren vijftig en zestig won hij onder meer een etappe in de Giro en, als enige Nederlander ooit, het eindklassement van de Midi Libre Muur-schrijver Jeroen Wielaert sprak in 2015 uitgebreid met Stolker in Frankrijk. Het resultaat was te lezen in editie 49 van De Muur. En hieronder opnieuw.


Etten-Leur – Michel Stolker – photo Cor Vos © 2014


Het is een eind rijden naar de Utrechtse renner die op zoek ging naar zichzelf.

Diep gaat het Frankrijk in, Metz en Nancy voorbij. Na de afslag Beaune voert de reis over de Route des Grand Crus, de beroemde weg van de Grote Wijnen door de wijnvelden van de Bourgogne. De oude weg loopt door lome dorpen die uiterlijk niet sterk zijn veranderd sinds toen, de jaren vijftig. Pommard, Volnay, Monthelie, Auxey-Duresses, La Rochepot. Noley is de eerste grote, drukke stad op de route in westelijke richting, aan de voet van de klim naar Aubigny-la-Ronce.

Michel Stolker heeft de heuvel vaak genoeg bestegen. Alles wat in deze streek omhooggaat, zit in de oude benen.

Het is genoeg geweest. Drie jaar geleden heeft hij zijn racefietsen verkocht. ‘Een heerlijke bevrijding,’ zegt hij, breed lachend. ‘Ik kwam uitgeput thuis. Wat moet je nog bewijzen? Ik heb genoeg gezweet.’

 

In Aubigny-la-Ronce zijn geen cafés, geen winkels. Het oude stadhuis staat tegenover een schuur vol traag loeiende koeien en heeft de versleten woorden liberté, égalité, fraternité op de vermoeide gevel. Het rommelige dorpje telt nog geen 150 inwoners. Er is pas drie jaar riolering. De burgemeester probeert nieuw volk te trekken door het opknappen van een stel verkrotte huizen en boerderijen.

Stolker heeft zelf al een verschil opgemerkt, sinds hij in het dorp zijn eigen boerderij kocht, in 1990. Hij verzucht: ‘Toen reden er drie wielrenners en een auto rond. Nu honderd renners en duizend auto’s.’

De keuze voor een tweede woning in Frankrijk had veel te maken met zijn verleden als beroepswielrenner. Twee keer de Tour gereden onder Kees Pellenaars (1956 en 1957) en één keer in de ploeg van Jacques Anquetil (1962): voor een naar Brabant uitgeweken jongen uit de Utrechtse deelgemeente Zuilen was het genoeg om een innige hartstocht voor het land op te doen.

Hij is dan wel uitgefietst, maar in de buurt is er nog genoeg te wandelen met zijn Corry. Ze zijn zes jaar samen, met voor beiden eigen aparte huizen in Nederland. Dat dan weer wel. De Bourgogne is een gedeeld genot.

Ik ben nog maar net binnen als de eerste zijnsvraag wordt gesteld onder de zware oude balken.

‘Waarom viel je op mij?’

Corry weet nog wel hoe hun relatie begon op de Brabantse bridgeclub. In eerste instantie was er geen warmte. Ze liepen straal langs elkaar heen. Een arrogante kwast, was haar eerste indruk. Een wielrenner? Nooit van gehoord. Onder het kaarten bleek hij mee te vallen. Best een aardige kerel, toch.

Haar vriend kan niet anders dan het beamen. ‘Helemaal mee eens!’

Onomwonden gaat hij verder.

‘Ik ben altijd ontstellend arrogant geweest, omdat ik bang was voor mannen en bang voor vrouwen. Er is niks ergers dan bang zijn voor mensen. Ik voelde me een nul.’

Dus als hij te vroeg was voor het bridgen (ze begonnen om acht uur), fietste hij weleens een blokje om. Dan ging hij vlak voor aanvang schielijk alleen aan tafel zitten, om elke ontmoeting te vermijden voordat de kaarten te voorschijn kwamen. Het heeft tot zijn zeventigste geduurd voordat hij eindelijk een grapje durfde te maken, de schroom voorbij.

Jong in de tachtig zit hij fit op de Bourgondische sofa, vergevorderd in de voltooiing van zichzelf.

‘Ik heb er hard aan gewerkt,’ zegt hij.

Meer dan een halve eeuw lang was hij geen nummer meer op de startlijst van de Tour. Hij was heel lang bezig geweest om Michel Stolker te worden.

 

Bij Stolker op de Daalseweg 157 in Zuilen, een wijk in het noordwesten van Utrecht, hadden ze tien kinderen. De oude was een streng katholieke tuinder. Michel moest soms voor straf naar het schuurtje. Verdrietig, broeierig, in zichzelf gekeerd bedacht hij dat hij weleens wat zou laten zien als hij groot was. Voor het halen van zijn boekhouddiploma maakte hij wekelijks forse kilometers op de fiets. Het mocht geen trainen worden genoemd, maar goede benen ontwikkelde hij wel.

De eerste wedstrijd waaraan hij deelnam, was de Ronde van Noord-Holland. De onbekende knaap uit Zuilen werd in 1953 zomaar tweede. Hij was nog geen twintig, had naar eigen zeggen een ‘krankzinnig minderwaardigheidscomplex’.

‘Toen viel het kwartje,’ weet hij nog. Hij dacht: ‘Hiermee kan ik ook laten zien wie ik ben.’

In 1956 werd hij beroeps bij Locomotief-Vredestein. Hij viel op met etappewinst bij zijn debuut in de Giro. Het was 2 juni, de dertiende rit, van Lucca naar Bologna. Kees Pellenaars selecteerde hem ook voor de Tourploeg.

‘Ik werd helemaal gek. De Tour! Wow!’

Schuchter voegde Stolker zich bij de andere renners: Wout Wagtmans, Gerrit Voorting, Daan de Groot, Jan Nolten, Piet van den Brekel, Jos Hinsen, Wies van Dongen en Jef Lahaye. Wagtmans begon in de gele trui aan de slotweek met de Alpen. De Brabander verzwakte en verloor zijn leidende positie in de rit van Turijn naar Grenoble. Roger Walkowiak won die Tour en werd het model van een winnaar zonder uitstraling.

Het was niet de zorg van Stolker. Hij was gevallen in de negende etappe, de rit van La Rochelle naar Bordeaux, en ging uit koers als een volslagen onbekende.

Pellenaars foeterde: ‘Wat godver, als hij een emmer water over zijn sodemieter had gekregen, was hij mooi verder gegaan.’

De Utrechter had niet het soort problemen dat Noord-Hollanders als Voorting en Faanhof met Pellenaars hadden. Zij zeiden steevast dat de ploegbaas de Brabantse vedetten financieel bevoordeelde. Maar juist in 1956 was de aanbeden Wim van Est uit de Tourploeg gehouden, omdat die zich op zijn beurt te negatief had uitgelaten over Pellenaars.

Stolker kende de animositeit wel. ‘Het was een ontzettende strijd tussen de Hollanders – het waren er weinig – en de Brabanders – dat waren er veel. Pellenaars was een mannetjesputter. Dat pikten die jongens uit het noorden niet.’

Stolker was boekhouder genoeg om Pellenaars naar waarde te schatten.

Ronduit: ‘Hij was een zakenman. Hij verdiende aan de renners, maar hij heeft het Nederlandse wielrennen ook op de rails gezet. Het was de normaalste zaak van de wereld. Hij zorgde ervoor dat Nederlandse renners etappes wonnen in de Tour. Ik had dat boekhoudingdiploma gehaald. Dan ga je wel anders denken. Ik kon wel goed met hem opschieten.’

Zo zocht Pellenaars contact met Fausto Coppi om afspraken te maken over diensten en wederdiensten. Oranje reed dan voor blauw in het vlakke, blauw zorgde voor steun bergop. Den Pel deed ook zaken met Charly Gaul, in de Giro van 1956, weet Stolker nog. Met glimmende ogen: ‘Charly won en wij gingen met een poep geld naar huis.’

Op de fiets voelde hij zich het best bij zijn debuut in de Franse ronde. Minder was de omgang met de ploeg.

‘Ik had geen contact. Dat was mijn frustratie. Vrienden in de ploeg kan je niet hebben, als je geen contact kunt maken met mensen.’

Daarom ook dat hij zich weinig van de mannen herinnert. In het peloton was het meetrappen, het werk doen, meer niet. Zwijgzaam koersen van a naar b was aanmerkelijk simpeler dan het intermenselijk verkeer. ’s Avonds ging hij na het eten liefst naar boven. Dan kwam Pellenaars hem van de kamer halen, als de rest nog aan de eettafel zat.

‘Ga bij die andere mannen zitten,’ zei de ploegbaas dan.

Nu, zoveel later breekt hem nog het zweet uit, als hij aan die situaties denkt.

‘Ik heb me nooit op mijn gemak gevoeld. Dat is juist het kloterige.’

Hij was ook ánders, zo voelde het. Die Brabanders vooral waren simpele jongens. Voor hen was Stolker met zijn boekhouddiploma te geleerd. Een soort heertje, in hun ogen. Hij was al 23, maar hij zag er nog uit als 18. Het droeg allemaal bij tot zijn verlegenheid. Hersens te over, maar toch die schroom. Mooi dat hij wel hard kon fietsen.

‘Het werk heeft niks met het sociale te maken. Als het om het zakelijke gaat, moet je wel goed functioneren. Dan geeft een lekke band ook niet. Dat is iets anders dan communiceren als vrienden. Het was gewoon hard trappen, zorgen dat er geld op de plank kwam.’

In de Tour van 1957 ging het beter met de resultaten. Stolker werd 44ste. De Tourwinnaar was een jonge, begaafde tijdrijder: Jacques Anquetil. In de Alpen had er een jonge meid langs de weg gestaan, die Stolker iets te drinken gaf. Ze viel op. Er waren toen nog lang niet zoveel Nederlandse fans op de been als later, de jaren zeventig, toen Alpe d’Huez voor het eerst door Oranje werd bezet.

Enkele weken na die Tour werd er fanmail bezorgd in Utrecht.

De bewonderde renner las: ‘Je hebt me een kusje beloofd, maar niet gegeven.’

Hij weet nog precies de datum waarop hij naar Amsterdam is gegaan: 15 augustus 1957. Hanny heette ze, ze woonde op kamers in de hoofdstad. Ze wilde journaliste worden bij de Volkskrant, maar dat lukte haar niet. Ze slaagde er wel in om haar Mies Stolker in te palmen. Voor hem was het de start van een zeer geaccidenteerd liefdesleven.

 

Het kwam in die jaren onvermijdelijk tot een breuk tussen Pellenaars en de knwu. Na jaren vol conflicten koos de bond voor Klaas Büchly, een brave Hagenaar zonder enige ervaring in het profmetier. Die selecteerde Stolker in 1958 niet voor de gecombineerde ploeg van Nederland en Luxemburg.

‘Die moest ik helemaal niet. En Büchly moest mij niet. Ik zei hem de waarheid, dat hij totaal ongeschikt was, omdat hij geen enkele motivatie kon geven. Mij in ieder geval niet.’

Rik Van Steenbergen kwam als grote Vlaamse vedette zijn verbazing belijden: ‘Je bent de beste Nederlander en je gaat niet naar de Tour. Da’s niet mogelijk.’

Het lag aan de individuele klasse van Charly Gaul dat de ronde van 1958 wel een groot succes werd. Met een legendarische performance in de Alpen bemachtigde de Luxemburger de gele trui en won de Tour. Dat leverde natuurlijk geld op voor de ploeg, maar niet voor Stolker.

Met schouderophalen zegt hij: ‘Daar stond ik niet bij stil. Je moest het maar accepteren.’

In die tijd werkte hij in de winter gewoon als boekhouder, eerst bij energiemaatschappij puem, later bij Lameris, producent van medische instrumenten op de Biltstraat. Er moest simpelweg geld verdiend worden in de maanden zonder koers. Het trainen begon weer in februari.

In het begin van de jaren zestig boden Franse ploegen werkgelegenheid aan Nederlandse renners. Stolker volgde de Zeeuw Jo de Roo naar Helyett-Leroux. De hoofdsponsor was een fietsfirma. In 1962 werd Stolker bij acbb-St Raphaël-Helyett-Hutchin-son knecht onder Jacques Anquetil. Hij trof er nog een landgenoot: Ab Geldermans. Andere bekende ploegmaats waren Rudi Altig, Jean Stablinski en Louis Rostollan.

Jo de Roo won in 1962 Bordeaux-Parijs, Parijs-Tours en de Ronde van Lombardije. Stolker pakte dat jaar in de eerste rit in de Midi Libre de leiderstrui. De etappe ging van Nîmes naar Mende. De Utrechter voelde zich aanvankelijk helemaal niet goed, maar halverwege kwam de omslag. Hij demarreerde. Alleen de Fransman Joseph Groussard kon volgen.

De film van de herinnering gaat verder: ‘Het was rijden, maar niet volle bak. Er komt een colletje, ik kijk om en zie niemand meer. Het was nog 75 kilometer. Komt die Georges Speicher bij me, de ploegleider. Hij vertelde dat ik vier minuten had. Hij was daarvoor nog helemaal niet bij me geweest. Zo was dat vroeger.’

In het hotel vroeg de succesvolle Nederlander een schone koersbroek. Speicher weigerde. ‘Dan vertrek ik ook niet, morgen,’ zei de man in de leiderstrui. Nu kreeg hij wel het gewenste kledingstuk. Met een lachje, dik een halve eeuw later: ‘Zo verlegen was ik toen niet, nee. Ik zei het gewoon wel.’

Stolker blijft de enige Nederlander die deze voorbereidingswedstrijd op de Tour ooit won. De Midi Libre schreef: ‘Stolker a gagné à la Coppi.’

Hij bewees meer te zijn dan knecht alleen, maar ook een renner die het middengebergte goed aankon. Daardoor was hij een goede secondant voor Anquetil. Hij reed graag voor het Normandische idool. De Belgische collega Hilaire Couvreur placht te zeggen: ‘Als Anquetil langskwam, reed Michel Stolker ervoor.’

Zelf weet hij nog: ‘Anquetil reed als Thomas Dekker: achteraan in het peloton. Als er wind stond, moest ik hem naar voren rijden. ’s Avonds kwam hij bij me op de kamer om te bedanken. Zo sociaal was hij wel. Zakelijk was hij helemaal niet. In de Ronde van Spanje stond hij tweede. Er was nog maar één rit voor het einde, toen ging hij naar huis. Ik liep naar hem toe en zei: ‘Dat kost veel geld.’ Een maand later vroeg hij of ik de Tour wilde rijden. Wij hebben toen veel geld verdiend. Na zeven, acht ritten stond Jacques eerste, Altig had het groen. Da’s een lekker centje. Daar gaat het om.’

Amfetamines waren een gewoon onderdeel van de beroepspraktijk. Stolker is er open over. Hij heeft het niet over pakken, noch over bedrog. Hij was zelf een matige gebruiker. Van de 25 koersen die hij won, reed hij er 20 naturel. ‘Die amfetamines hielpen om beter te rijden, maar ook tegen de uitputting en de vermoeidheid.’

Hij herinnert zich die soigneur Julien nog, die tegen de grote sprinter André Darrigade zei dat hij iets nieuws voor hem had.

‘Doe maar!’ zei Darrigade.

De soigneur gaf hem het spul en een advies: ‘Vijftig, zestig kilometer voor het einde innemen met een slok thee!’

Het werkte.

Formidable!’ zei Darrigade tegen Julien. Hij moest even aandringen om te horen wat hij had geslikt.

‘André, je hebt gewoon aspirine gekregen.’

 

Aan geld geen gebrek, dat was het probleem niet. De moeilijkheid bleef dat Stolker zijn menselijke tekort niet de baas kon worden. Het ergste was het op feestjes. Dan vroegen ze hem over de Tour te vertellen. Het ging die mensen niet om de Michel die hij was, maar om de Tour-Michel. Het was net als die boerderij met rieten kap die hij later had: dat was het aanzien, maar het was slechts de buitenkant.

Legendarisch als de collega’s is hij niet geworden, met roem was hij niet bezig. Zijn plakboeken heeft hij bewaard, daar is hij wel trots op, maar wat blijft is de spijt.

‘Ik heb het absoluut niet uitgedragen zoals ik het had moeten uitdragen. Ik voelde me een hopeloos, bang jongetje toen ik de Tour de France had gereden en in Zuilen werd herkend als ik over straat reed. Ik had een praatje moeten maken, maar dat heb ik nooit gedaan. Ik gaf wel handtekeningen, maar voor de rest was ik schuw. Er is niks ergers in het leven dan contactarm te zijn.’

Hij was getrouwd met Hanny. Ze kregen twee kinderen: Henk (1961) en Maud (1964). Ook in het gezin was er geen echt contact, los van de seks.

‘Nee. Ik was een onvolwassen kind. Neuken, dat hoort erbij. Ik kon helemaal niet met Hanny overweg, maar ik ben toch zestien jaar met haar omgegaan. Zíj heeft in wezen bedacht dat er een kindje kwam. De kapelaan kwam ook aan de deur.’

Slaande ruzie hebben ze gekregen, later. De politie moest er een keer bij komen.

Vijfentwintig jaar geleden heeft hij zijn kinderen gezegd: ‘Ik heb nooit van jullie gehouden.’

Ze schrokken zich het lazarus.

Hun vader vervolgde: ‘Je kunt alleen houden van, als je van jezelf houdt.’

Hij had wel voor ze gezorgd, de kost verdiend, dat was zijn plicht. Ook later, na het fietsen, toen hij in accu’s ging en in antiek. In dat werk kon hij ferm zijn mannetje staan, maar schortte het opnieuw in het sociale contact.

Genoeg had hij gezien van de achterkant van de glorie, als verlegen, gewaardeerde domestique in Franse dienst.

‘Anquetil had die glamour. Het was winnen, winnen, winnen. Dat is fascinerend. Maar niets is mooier dan de overwinning die ik op mezelf heb behaald. Ik was in mijn werkplaats. De tranen liepen over mijn wangen. Dat is veel waardevoller dan de overwinningen die in de krant komen. Dat blijft allemaal buitenkant.’

 

Het was in 1957 dat Roland Barthes filosofische beschouwingen over de Tour opnam in zijn Mythologies, bespiegelingen over de moderne tijd. Voor hem was de ronde een homerische krachtproef. Stolker kan het alleen maar beamen, al kwam het besef pas later, bij het vorderen van zijn inzichten.

‘Ik roep al veertig jaar dat de wielersport tien jaar voorloopt op de normale maatschappij. Je gaat tot het uiterste om iets te bereiken. Ik denk dat de mensen in de normale maatschappij niet zo diep gaan als in de wielersport. Het moest ook wel voor het geld. Je moet heel veel incasseren. Af en toe is het: wow! Als je lekker verdient maakt dat veel goed, maar de decepties zijn legio. Dat heeft me als mens wel geholpen. Je krijgt niets voor niets, alleen door keihard werken. Ik heb ook altijd gezegd: ‘De aarde is de hel, maar door keihard werken bereik je de hemel.’ Je moet als beroeps ook hard zijn. De Tour wacht niet.’

 

Nog was er meer te leren dan alleen door te ploeteren op een fiets. Na het wielrennen begon de lange zoektocht naar de vrede met zichzelf en de ander. Dat duurde een aantal vrouwen lang, met relaties als knipperlichten. Steeds weer de verwarring en de pijn, gewonde harten, zielen. Na Hanny kwam Joke. Hij is twee keer met haar getrouwd en twee keer ging het mis.

Hij bedacht: ‘Hanny was zo en Joke weer zo. Die twee moeten allebei verkeerd zijn, of ik ben verkeerd.’

Ergens moesten de waarheid en de ware zijn. Hij kwam er dichtbij in Engeland waar hij antiek ging kopen. Op dat moment had hij geen partner. In een winkel zag hij twee figuurtjes van tien centimeter hecht tegen elkaar aan liggen. Een mannetje en een vrouwtje.

‘Er was iets wat die twee aan mij te vertellen hadden. Het waren er wel twee, maar het zag eruit als één. Dat heeft me onvoorstelbare kracht gegeven. Ik kon weer een relatie aangaan. Niet om de seks en ook niet om niet meer alleen te zijn. Door die beeldjes zag ik: er is meer. Daar haalde ik kracht uit.’

In de boekenkast op de Franse logeerkamer staat een deel van de werken die hem meer wijsheid bijbrachten. Alle dagen Zen van Joko Beck. Esoterische psychologie – Het lot als levenskans van Thorwald Dethlefsen. Harvey Diamonds Je hart je wereld. J.A. Sanfords Omgaan met elkaar, ontmoeting als uitdaging. Het duo Hal en Sidra Stone, partnerschap van Thuiskomen in jezelf – Onze dromen en innerlijke stemmen. En meer.

Dergelijke spiritualiteit was ook het latere studiegebied van Gerrie Knetemann en Fedor den Hertog. Zij oogstten veel meer faam dan Michel Stolker, maar hij ging hen voor in de worsteling, het zoeken naar vervolmaking en nieuwe geestelijke rust, na al het holle kabaal van kortstondige klassementen, uitslagen zonder waarde, gecompenseerd door prijzengeld.

In een later stadium ging hij ook te rade bij reïncarnatietherapeute Marianne Notschaele. Een ware goeroe te Zundert. Ze hielp hem verder in het openen van zichzelf, zijn schroom af te werpen.

Het menselijke inhalen duurde heel lang.

Bedachtzaam: ‘Ja, heel erg. Het is in- en intriest dat je daarvoor tachtig jaar oud moet worden.’

Dan weer opgetogen, met fonkelogen: ‘Het is heerlijk. Ik moet wel zeggen dat ik beretrots ben, want als ik om me heenkijk zie ik een boel ellende. Ik heb het nu goed, met Corry erbij. We hebben een fijne ldd-relatie, toch schat?’

De afkorting staat voor Leuke Dingen Doen. Corry lacht hem vriendelijk toe, blij als ze is met de wandeltochten in de Bourgogne.

Was hij een betere wielrenner geweest, met de mensenkennis van later?

Veert op, dan fel: ‘Túúrlijk! Dan had ik meer geld verdiend, een grotere auto gereden. Maar ik denk dat ik dan toch een andere Michel was geworden dan ik nu ben. Daar ben ik trots op. Dan maar minder rijk. Ik voel me erg rijk, terwijl ik weinig bezit. Maar met dat weinige dat ik bezit, bezit ik heel veel. Mens zijn, je durven te geven: hier ben ik, je kunt me accepteren, maar het hoeft niet. Dat is het allerbelangrijkste in het leven. Zover was ik toen als fietser niet.’

De Grand Départ in Utrecht? Het brengt hem niet tot vervoering.

Vlak: ‘Mjah, het is leuk, het is vlakbij. Ik heb er gewoond. Het is anders dan Amsterdam 1954, omdat het in Utrecht is. Dat het in mijn eigen stadje is, zegt me niet zo veel. Het is niet zaligmakend.’

De Tour brengt hem wel terug naar de stad, meer dan hij gewend is. Na de geslaagde ontdekking van zichzelf wordt hij veel gevraagd als renner van vroeger. Zo staat hij na terugkeer uit de Bourgogne in het Museum van Zuilen  aan de Amsterdamsestraatweg ineens weer voor de Tourfiets waar hij zestig jaar niet meer op heeft gezeten. Zijn broer Bert heeft hem altijd bewaard.

Late erkenning? Hij zit er niet op te wachten.

Schamper: ‘Ik heb het er druk mee. Nooit heb ik meer iets gehoord. Nu willen ze me allemaal weer spreken.’

De echte bevestiging gaat niet over fietsen. Bij de Grand Départ loopt een andere Mies rond dan de Mies van toen. Oud-renner. Speciale gast. Verlicht mens.

 

 

Auteur: Jeroen Wielaert


Uit: De Muur, editie 49


Leave a Reply