DE ITALIAANSE ARISTOCRAAT OP DE MONTJUICH


Auteur: Mart Smeets

Het was de allereerste WK-wegwedstrijd voor professionals die ik voor de NOS-radio mocht verslaan. De race om het wereldkampioenschap in Barcelona dus, begin september 1973, rond de berg Montjuich. Het was ook de allereerste maal dat een man mij vroeg de liefde met hem te bedrijven. Een gedenkwaardig weekend dus daar in Catalonië.

   Zonder ook maar een snipper voorbereiding waren we in de Catalaanse stad gearriveerd: Frits Suer, ook debuterend als verslaggever, George Tor, de beroemde producer van de NOS en ik.

Het zou een moeilijke middag worden, werd ons al voorgehouden want tegelijk met de koers in Catalonië werd de finale van het WK mannenhockey in Amstelveen verspeeld.

   Roel Rengers, de baas van Langs de Lijn, had al laten weten dat het Wagener Stadion in Amstelveen ‘mentaal dichterbij’ lag dan Montjuich en dat onze flitsen van korte duur moesten zijn als er in Amstelveen werd gespeeld.

   Voorafgaande aan dit wegkampioenschap waren we in San Sebastian geweest bij de baankampioenschappen en even daarvoor had ik mijn allereerste Tour de France onder de vlag van de NOS meegemaakt. Op de motor, een commentaarpositie die ik heerlijk vond; je zag veel, je voelde je vrij en het avontuur was groot.

   Voor ik in Scheveningen aan boord stapte van de NOS-ploeg, nadat bovenbaas Kees Buurman mij als vervanger van de dwarsliggende Theo Koomen had aangewezen, had ik nooit van mijn leven een wielerkoers journalistiek gevolgd.

   Dat maakte mijn debuutjaar wel zo spannend: zou een Amerikanofiel zich thuis gaan voelen in de toentertijd nog zo Europese, behoorlijk conservatieve wielersport? Er kwam in deze sport geen bal aan te pas. Een ernstig nadeel, vond ik toen en nu eigenlijk nog.

   Het verhalen vertellen uit de wielersport was voor mij meteen een traktatie van jewelste. Al vanaf dag een klikte het; ik merkte direct dat in deze sport de tuindeuren uitnodigend openstonden voor mensen die wilden vertellen wat er zo ongeveer gaande was. Ik begreep dat uitslagenjournalistiek in deze sport niet het belangrijkste was; het ging vooral om de achtergrondverhalen die, zo bleek me toen al, nooit echt gretig naar de voorgrond geschoven werden door de betrokkenen. Wielrennen openbaarde zich aan me als een zacht uitgesproken confessie in een klassieke biechtstoel: door het gordijntje heen.

Als ik dan toch biecht: in Barcelona stelde George Tor mij op vrijdagavond voor om de fysieke liefde te gaan bedrijven. Hij kende mijn grote en overtuigde voorkeur voor vrouwen, maar hoopte dat ik nog voldoende homo-gevoelens in mijn heterolijf had zitten. Want die had iedere man, had hij uit rapporten geleerd, en hij wilde me graag laten voelen hoe het was de snelle liefde met hem te bedrijven. Hij stelde voor, licht aangeschoten dat wel, dat hij me zou pijpen en dan zou het voor hem en mij een groots weekend voor hem en voor mij worden en zou hij mij in het vervolg meenemen naar veel meer reportages voor de NOS.

   De volgende ochtend, aan het ontbijt, kwam Tor binnen met een jong Spaans knaapje achter zich aan. Hij liep naar mijn tafel en zei: ‘Dit type heeft je goed vervangen gisteravond. Vandaag en morgen draagt hij al onze spullen, dan zijn we daarvanaf.’ Op die manier leerde ik ongeveer wat knechten betekenende in de wielersport.

   Ik had George dus afgewezen en had me primair voorbereid op de wegkoers van de profs. Eddy Merckx zou moeten winnen, zei men. En als hij dat niet zou doen dan zou Freddy Maertens de sprint wel gaan winnen. Spaanse journalisten hielden het op Luis Ocana en Joop Zoetemelk was de Nederlandse hoop in bange dagen.

   Op die zondag zeulde het Spaanse joch dat naar Aqua Velva rook onze apparatuur met zich mee en Tor liet hem eten en drinken halen, terwijl hij druk contact zocht met Hilversum.

   Ik bestudeerde mijn provisorische startlijst en wist dat de koers bijna 250 kilometer lang was. De finale zou tussen vijf en zes uur in de middag vallen en op dat moment speelden ze in Amstelveen ook om de wereldtitel hockey bij de mannen.

   We ‘flitsten’ dus mondjesmaat, want ook toen al waren de eerste pakweg honderdvijftig kilometer van de koers een speeltuin voor kleine, onbekende coureurs en wat moest je anders doen dan sfeer schetsen en kleine feitelijkheden op de Nederlandse radioluisteraar loslaten?

   Het werd, herinner ik me nog heel goed, een landerige middag. Het was warm, er waren niet heel veel mensen bij de finish, want je bakte er levend gaar. Dus werd de Catalaanse toyboy weggestuurd om een tentachtig ding te gaan scoren dat over ons heen gebouwd kon worden tegen de felle zon. Hij haalde ook bier, water en wijn voor Tor en bracht ons, de verslaggevers, de papieren waarop bijna niets stond dat de moeite van het vermelden waard was.

   Rond vier uur begon Geerhard de Grooth vanuit Amstelveen de wereld oranje te kleuren en reden de profs in Barcelona wat harder voor ons langs.

   Ik meldde op zeker moment dat Zoetemelk de slag had gemist. Ik klokte hem op enige afstand van de echte kopgroep en hij was in het gezelschap van Gerard Vianen en een Spanjaard die Pedro Torres heette en nog een lange Fransman, Régis Ovion, volgens Tor ook een ‘type’.

   Terwijl ik met interesse naar het verslag uit Amstelveen luisterde zag ik hoe de koers zich ontvouwde. Op kop reden de grote meneren van het profpeloton van die dagen: Eddy Merckx dus, Luis Ocana, die afzag, Freddy Maertens, de bonkige, lelijke renner uit Vlaanderen en een Italiaan die ik uitsluitend van naam kende: Felice Gimondi. In die dagen hadden we nog geen ‘steekkaartjes’ met informatie, laat staan een volledig uitgedraaide startlijst met rennersgegevens. De startlijst van de koers was ons een uur na de officiële start ter hand gesteld: rugnummer en naam, meer niet.

   Mijn redding zat niet ver van me vandaan: de verslaggever van de BRT die me volgaarne wat vertelde over de koplopers. ‘Gimondi is op zijn retour,’ zei Jan Wauters en voegde daaraan toe: ‘Maar hij en Eddy zijn goede vrienden en dat zal blijken.’

   Wauters kende zijn pappenheimers en ik niet. Ik had Ocana en Zoetemelk in de Tour meegemaakt en ik kende de naam Maertens als een sprinter van allure. Van Vianen wist ik dat hij in Franse dienst reed (in de ploeg van Zoetemelk) en dat hij in Kockengen woonde.

Verderop, in verschillende groepjes, reden nog Cees Bal, Gerben Karstens en Hennie Kuiper rond.

   Terwijl het hockey in Amstelveen gaande was en steeds spannender werd, kreeg ik via Hilversum de opdracht ‘heel snelle flitsen te maken en de positie van de Nederlanders te vertellen, meer niet, en dan snel weer naar Geerhard, begrepen?’

   Ik begreep het. Het mondiale wielrennen was ondergeschikt aan Oranjesucces in een piepkleine sport, maar dat begreep ik. De Grooth bejubelde de scores van Ties Kruize en ik kon daar slechts tegenover stellen dat Zoetemelk er niet in geslaagd was het topkwartet bij te halen. En al het andere Oranjegebroed op een fiets reed op vier minuten of meer en wat had ik dus in te brengen?

   Weinig dus, en dat werd dan voornamelijk de sprint om de wereldtitel; niet de allermoeilijkste opgave, want een ‘sprint a quattre’ was te doen: twee Belgen, een Spanjool en een oude Italiaan op een brede weg. Makkie.

   Eerst probeerde Merckx solo te gaan en reed, zelfs tot mijn verbazing, Maertens het gat dicht.

   In mijn herinnering zie ik de sprint nog wel, maar vaag. Ik had me ingesteld op een nummertje van Merckx, maar die kwam niet verder dan een vreemde manoeuvre en de vierde plaats. Ocana werd derde, Maertens tweede en de door alle kenners afgeschreven Gimondi haalde de titel binnen; eigenlijk makkelijk en wielerkenners zaten stupéfait naar dit alles te kijken. Merckx was ogenschijnlijk nog fris, had geen Tour gereden, Maertens werd geklopt door een veteraan-Italiaan die tegen de Belg aan ging hangen, Ocana viel in deeltjes uiteen en Merckx, de beste renner van de wereld? Vierde. Lusteloos vierde zelfs. Verrassend vierde. Hoe vierde?

   Later vertelde Jan Wauters me dat Merckx zijn vriend Gimondi een laatste signorendienst bewezen had. Ik vroeg hem hoe hij dat wist en Wauters zei: ‘In het wielrennen weet je sommige dingen niet, maar schat je soms zaken goed in, neem van mij aan dat Eddy niet rouwig was Maertens niet te laten winnen. Door niet echt voluit mee te sprinten ontregelde Eddy de totale sprint en Gimondi profiteerde daarvan.’

   Die woorden liet ik niet op Nederland los, geloof me. In mijn rol van jongmaatje beperkte ik me tot de uitslag en luisterde ik vervolgens naar de heldendaad van André Bolhuis die met zijn duikende lijf een bal op de doellijn stopte alvorens Litjens, Kruize, Kranenburg en Taminiau een strafbal verzilverden en doelman Maarten Sikking de held van Amstelveen werd.

   En passant noemde ik de vijfde plaats van Zoetemelk en werd ik bedankt voor mijn inspanningen van die dag. In Amstelveen moest worden gevierd en Geerhard de Grooth kon dat als de beste.

   Wij, op Montjuich, ruimden op en het type van Tor sjouwde de apparatuur naar elders. ‘Hij krijgt er een leuk dagcontractje voor,’ zei Tor en vroeg: ‘Wie werd er ook al weer kampioen?’ Ik zei: ‘Gimondi, Felice Gimondi.’ Tor schudde zijn hoofd: ‘Nooit van gehoord. Wacht met eten straks niet op mij, ik ga dat type nog een paar draaien om zijn oren geven.’ Hij liep weg.

   Een dag later hoorde ik dat er in de Belgische pers een uitslaande brand was uitgebroken. Speelde Merckx onder een hoedje met Gimondi? Was Maertens geflikt? Had Ocana nog een rol in de sprint gespeeld?

   Daar was ik op zondagmiddag helemaal niet aan toegekomen. Niet alleen vanwege die hockeywedstrijd elders, maar vooral omdat ik met ongeoefende ogen keek en feitelijk de sprint versloeg: Gimondi een, Maertens twee, Ocana drie en Merckx vier. Staccato opgenoemd en snel weer terug naar Amstelveen.

   De volgende dag ging ik vroeg de straat op en kocht in El Corte Ingles een paar zwarte schoenen met een zilverkleurige gesp aan de zijkant. Die moest ik twee dagen later in de Amsterdamse RAI dragen omdat ik daar weer voor de NOS moest werken en een grijs pak moest dragen. Het 25-jarig jubileum van Koningin Juliana werd gevierd met een groot, live-uitgezonden televisieprogramma met Mies Bouwman als gastvrouw. De NOS-radio, lees Kees Buurman, had mij er neergezet om te vertellen wat ik zag en wat er allemaal in de RAI gebeurde. Dat grijze pak en die schoenen waren omdat wij medewerkers aan de koninklijke familie werden voorgesteld. Etiquette nietwaar?

   Het was als het verslaan van een sprint op Montjuich.

   Pas heel veel later (ik wist inmiddels dat lang niet altijd de beste renner een koers won) zag ik een stukje BRT-televisie uit 1973. Televisiecommentator Fred DeBruyne (zelf oud-coureur en insider tot en met) sprak met Merckx en Maertens. Om het brandende geschil uit de wereld te ruimen?

   De Muur geeft u een deel van dat opmerkelijke televisiegesprek als toetje op dit verhaal: https://youtu.be/1p7uz-j7AF8

   Oordeel zelf.

   Jan Wauters was vanaf dat moment een goede collega, een leermeester en een lichtend voorbeeld voor me. Ooit nam hij afscheid van zijn vak met de woorden: ‘Wij zijn paardenbloemen die verpluizen.’

   Net zoals de uitslag van die sprint toen in 1973.

   Gimondi won.

   De Italiaan overleed drie weken geleden en rond die dagen ik moest maar steeds aan die dag in Barcelona denken. Felice Gimondi, de man die in Italië ‘il aristocratico’ genoemd werd, werd wereldkampioen bij de profs. Zou hij ooit, ergens, waar dan ook, in een biechtstoel zijn gaan zitten en over die sprint hebben gesproken?

   Neen, vast niet. Die sprint ging zoals die ging.

   Net zoals het vragende verzoek van George Tor aan mij: of hij mij, alsjeblieft, alsjeblieft mocht pijpen. Dat ging voor hem vanzelf. Ik schrok er toen wel een beetje van.

   Tor zag je op zeker niet in een biechtstoel.

   Wat had hij, in Godsnaam, op te biechten?


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Leave a Reply