DE HOLLANDSE VAN SCHENDELS WAREN FRANS GEWORDEN


Auteur: Mart Smeets

In mijn meest woeste gedachten heb ik een jaar gelden besloten eens een lijst te maken van alle Nederlandse mannen die de Tour hebben gereden. Nou kan je via boeken van Wim van Eyle en Fred van Slogteren al een heel eind komen, maar ik wilde zelf graag eens uitvinden wie die onbekende mannen waren die in 1939 of 1951 naar Parijs reisden om daar namens ons Koninkrijk te gaan koersen in een wedstrijd die nauwelijks doordrong tot het Nederlandse sportpubliek.

Ik weet ook nog dat ik in de jaren tachtig ook al eens zo’n idee had opgepakt en dat ik gewoon in 1936 begonnen was en de toen startende Nederlanders op een lijstje had gezet.

Bovenaan dat lijstje (want meer was het niet en meer werd het niet) stonden de namen van Antoon en Albert van Schendel.

In die dagen waren dat voor mij onbekenden, was er geen handige (en soms o zo onbetrouwbare) Wikipedia of Google en moest je dieper graven in bestaande wielerliteratuur uit de betrokken jaren.

Ik leerde toen vrij snel dat het Brabantse jongens betrof die met hun (bijna straatarme) ouders naar Frankrijk waren verhuisd en in de buurt van Toulouse waren gaan wonen.

Zij beiden stapten op in de Ronde van 1936. Albert eindigde op de 15e plaats in Parijs en Antoon werd 32e.

Dat zijn gegevens die makkelijk te vinden zijn, de Tourorganisatie zelf heeft ze voor een ieder die dat weten wil ook keurig op het internet gerangschikt.

Ik wilde toen, voor het maken van een televisieportret, in contact komen met liefst beide broers en kreeg van een Franse collega te horen dat ze een wielerzaak in Toulouse hadden bestierd. Succesvol naar het scheen, want er was veel aanloop in hun zaak geweest waar een mens mooie racefietsen kon kopen.

Dus dook ik in telefoonboeken en belde mensen op het gemeentehuis van Toulouse en kreeg, na enig wachten, wat telefoonnummers en adressen.

Mijn zoektocht naar de voor mij onbekende broers was begonnen.

Ik leerde dat ze in Lage Zwaluwe geboren waren en met de gehele familie, min of meer op goed geluk, naar Toulouse waren getrokken; want, in die buurt, vond een mens nog wel wat werk, naar bleek.

Het moet voor de familie Van Schendel geen echt pretje geweest zijn in de donkere dagen van de dertiger jaren in een vreemde cultuur te leven, snapte ik. Toch waren Antoon en Albert succesvol met hun zaak, zeker na de Tweede Wereldoorlog. Zij samen werden bekend, er werd nog wel door beiden een klein beetje gekoerst, maar de wielerzaak kreeg steeds meer voorrang.

Op enig moment kreeg ik een telefoonnummer van een der broers, ik dacht Albert. Na vijf keer proberen, kreeg ik contact en begon een merkwaardig gesprek in het Frans met soms een Nederlands woord ertussendoor.

Van Schendel begreep dat ik van de Nederlandse televisie was en dat ik hem graag wilde spreken over vroeger, maar veel zin had hij er niet in. Hij was oud, hij was moe, hij sprak nauwelijks nog verstaanbaar Nederlands en wat moest hij nog vertellen aan een man die aan de andere kant van de lijn verbleef, die hij niet kende? En wie in Nederland wilde nou nog weten wie de twee broers eigenlijk waren en hoe hun wielerleven was verlopen?

Ik vroeg hem of zijn broer er ook zo over dacht en hij zei dat hij dat niet wist. Ik vroeg het nummer van zijn broer, maar dat kon Albert niet vinden.

Na tien minuten heen en weer praten, liet Van Schendel weten dat zijn slechte Nederlands voor hem duidelijk telde. Mijn opmerking dat ik mijn uiterste best zou doen in het Frans te converseren, wimpelde hij weg. ‘Neen, als ik op de Nederlandse televisie kom, moet ik toch ook een beetje Nederlands spreken.’

Ik probeerde het nog met de grap die niet echt aankwam: ‘In het Brabants mag het ook,’ maar het eind van dit liedje was: non merci.

Het was een werkelijk ontnuchterend (en eerlijk) antwoord van de oude baas die een jaar of zes later overleed in Toulouse.

De zoektocht was daar dus gestrand, met de aantekening dat Albert me, in goed verstaanbaar Frans, nog wel vertelde dat de ploegleider van de Hollandse ploeg in die jaren de bekende journalist Joris van den Bergh was en dat die man er werkelijk helemaal niets van snapte. Ik begreep dat Van den Bergh vanuit Holland de renners een beetje in de gaten hield en er eens in de zoveel dagen telefonisch contact was. Zo schreef hi die eerste Tour ook zijn verslagen, vanuit Den Haag.

Na dat telefoongesprek liet ik het item ‘Van Schendel’ vallen, totdat ik heel veel later weleens verhalen uit die tijd tegenkwam. De broers waren verfranst en hadden niet zo heel veel meer met het land van hun geboorte, werd me duidelijk. Gerrit Schulte, die met hen in een ploeg terechtkwam, vond het vreemde snoeshanen en Theofiel Middelkamp vond het zeurders die maar bar weinig tegen hem spraken en die ook te weinig geld binnenfietsten.

Ik liet hen weer tien jaar liggen, maar drie maanden geleden stiet ik weer op een verslag uit die jaren en de Tour en begonnen de broers toch weer een beetje te leven.

Nu?

Ik probeer van alles, graaf en graaf, zie uitslagen en lees dat in 1947 Albert voor het laatst aan de start kwam in de Tour. Mijn geboortejaar dus. Was dat een extra aanmoediging om verder te graven.

Ja.

En dus ben ik dat in deze pandemie een beetje aan het doen.

Een kleine zoektocht naar twee boerenzonen die coureur werden, die voor Nederland reden en die niet erg vriendelijk en mededeelzaam waren tegenover hun ploeggenoten van die dagen. Ze zwegen meer dan ze spraken.

Later sleten ze hun oude dag in het stadje Muret. Daar moeten nog sporen van de Brabantse familie te vinden zijn.

O ja, Albert van Schendel stapte in 1947 al in de derde etappe af en het schijnt dat hij, na dat afstappen, meteen wegreed en niets, maar dan ook helemaal niets, tegen zijn landgenoten van weleer heeft gezegd. Niet ‘Merci’, geen ‘Au revoir’, helemaal niets. Die andere Nederlanders waren Jefke Janssen, André de Korver, Bouk Schellingerhout en Arie van Vooren.

De prettige bijvangst van het opzoeken van die namen leverde de kennis op dat in dat jaar ook twee Italianen (Fermo Camellini en Eugenio Galliussi), een Belg (Victor Joly) en een Pool (Edouard Klabinski) deel uitmaakten van de Hollande-Etrangers de France ploeg.

Daar keek ik van op, ik had er nooit van gehoord, noch gelezen.

En of ik ooit nog met de Van Schendels in contact ben gekomen?

Helaas niet. Ze zaten er niet op te wachten, werd me duidelijk. Holland was voor hen een afgesloten verhaal, leek het wel.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.

   

Leave a Reply