DE GRUPPETTO’S


Auteur: Mart Smeets

Wielrennen was bepaald niet mijn favoriete sport toen ik er, in 1973, op harde manier mee werd geconfronteerd: ik mocht/moest de Tour de France voor de radio (NOS) gaan verslaan. Er waren mensen in mijn omgeving die dat eervol vonden, ik vond het eerder opmerkelijk.

Ik bleef tot einde 2015 actief in de wielersportverslaggeving en deed zulks vaak met plezier, soms met frisse tegenzin en gemiddeld deed ik mijn knetterende best iets van reportages, filmpjes of documentaires en presentaties te maken. Ik zag koersen over de hele wereld en voor het wielrennen alleen reisde ik (iemand heeft dat voor me uitgerekend) viermaal rond de aarde.

   Dat is geen verdienste; ik zag het als werk, een onderdeel van mijn NOS-contract.

   Ik kreeg te maken met renners als Joachim Agostinho, Don Alan, Cees Priem, Bernard Hinault, Maarten Ducrot, Lance Armstrong en Michael Boogerd. Ik stelde ze vragen, kreeg oprechte en ook leugenachtige antwoorden en op enig moment vond ik het wel goed.

Opmerkelijk misschien ook: ik voelde in de jaren tussen 1973 en 2015 nooit de kriebelende drang in mijzelf opborrelen ook op een fiets met een krom stuur te gaan zitten.

   Ik bezat een fraaie Italiaanse racefiets (gekocht voor 750 gulden) die mijn broer een keer uitleende aan iemand die ook langer dan 1.94 meter was en dus een maat 64 nodig had, maar die iemand dacht slim te zijn en gaf het rijwiel nooit terug, hetgeen me nog steeds verbaast. Ik heb er, voor de volledigheid, nooit iets over gezegd of aan gedaan. Plurken moet je plurken laten zijn.

   In de jaren tachtig reed ik op een goede middag in een klein peloton in Zuid Frankrijk tegen een bergje op. Naast me reed Bernard Hinault, achter me Fons de Wolf. De renners gaven me aanwijzingen of sleurden me, eenhandig, door haarspelbochten heen. Afdalen ging maar net en dat was tevens de laatste maal dat ik probeerde tegen een berg op te fietsen.

Een goed jumpshot was me meer waard.

   Toen ik zestig werd kreeg ik (van mijn broer) een goede racefiets met click-pedalen zoals ik ze noemde. U voelt het al aankomen; toen ik, driehonderd meter van huis, bij mijn eerste uitstapje ineens moest remmen, kreeg ik mijn voeten niet los en moest ik me, zeer tot genoegen van de toekijkende automobilisten bij het stoplicht, zachtjes op mijn zijde laten vallen. Deed geen pijn, in ieder geval niet fysiek. Later trapte ik nog weleens gezwind door de polder, maar ik voelde nooit een Dumoulin-gevoel opkomen.

   Behalve ongeveer zeven statige stadsfietsen (alle werden gejat en dezelfde dag vervangen), had ik een onwrikbaar stijve Duitse fiets; een met terugtraprem, waar ik niet gek op was, de andere waren gewone Lokomotieven, Magneten en zelfs een Fongers, maar ineens kreeg ik op enig moment (van de jonge Jan Derksen) een lichtgewicht sportfiets. Voor de lol rijd ik daar de afgelopen twintig jaar op en dat bevalt.

   Ik fiets niet hard, vaak samen met mijn vrouw, ik draag geen koersbroek of ander mal gedrocht dat om een lijf van 115-120 kilo moet passen en heb wel twee paar racehandschoentjes die ik zelden draag. Op een paar staat mijn naam gedrukt, een kledingsponsor gaf ze me voor Kerst.

   Op mijn tochten rond Haarlem zie ik op mijn manier af, ben blij ergens een kopje koffie te kunnen gaan drinken en dan rustig mijn weg te vervolgen en wordt ingehaald door 9845890 voornamelijk mannen die me uitdagen, enthousiasmeren, belachelijk proberen te maken of te kakken willen zetten. Ik heb geen enkele seconde zelfs maar de neiging in het wiel te gaan zitten, vooral omdat ik dat niet kan. Ik taal er zelfs niet naar.

   Ik ken de schimpscheuten waar een bescheurkalender vol aan kruidige teksten op me werd losgelaten en haal mijn schouders erover op. Soms komen mannen van mijn leeftijd even langszij, groeten en maken een praatje. Ze rijden op supergave fietsen, allemaal afgemonteerd met het duurste spul en ze lachen om mijn karretje met een klein, recht stuurtje. ‘Jij kan je toch veel beter materiaal aanschaffen,’ is vaak de eerste opmerking. ‘Waarom?’ is dan meteen mijn antwoord.

   Dan valt er een stilte en leg ik uit dat ik fiets om een beetje te bewegen, dat ik vooral niet hard wil (en kan) fietsen en dat ik mijn kilometers niet bijhoud, niet op Strava of hoe heet dat ding zit, geen lid ben van een zaterdagochtendclubje dat tachtig kilometer door Noord Holland doet (in bijna twee uur) en ik gelukkig ben zonder koersbroek (ik kreeg een hele mooie, van Rob Harmeling) om mee over Gods  wegen te trekken.

   Dan rijden de anderen weg, schakelen op en laten me tevreden achter: stilte.

Tot een volgend groepje zich komt melden. Eerste opmerking: ‘Kom op Martje, in ’t wiel!’ Ik bedank voor de eer en iemand roept ‘Je lulde er beter over dan dat je het doet.’ 

   Mijn antwoord: ‘Klopt en nog een prettige middag.’

   Door de vele jaren heen heb ik waarschijnlijk honderden van die clubjes van (vaak) mannen langs me zien trekken. Fanatieke wezens, rijdend op prachtig materiaal, sommigen soms al een weinig kapot, anderen rustig, weer anderen uitdagend en altijd die kreet: ‘In het wiel’ – wat eigenlijk een gebod was.

   Ik keek naar clubjes advocaten, studenten, artsen, slagers, bakkers, vliegers, sportleraren, middenstanders, familieploegjes, vaders en zonen, ouderen met vaart en ouderen die verdacht snel reden en bij ons thuis ook soms ‘Vinootjes’ genoemd worden.

   Mijn vrouw: ‘Werd je vandaag weer veel gepasseerd?’

   Ik: ‘Viel wel mee.’

   Zij: ‘Geen Vinootjes?’

   Ik: ‘Ja, dat dan weer wel, één groep met etterig gedrag, grote bekken, middelbare proleten op dure De Rosa’s en Mosers… ik reed vijftien per uur en zat te genieten van twee spelende hazen in de wei, rechts van me en toen kwamen zij langs. Hun laatste man riep nog: ‘Vanavond aan tafel bij Dione? Daar moesten ze allemaal hard om lachen.’ Ik moest die avond een artikel schrijven over de Buffalo Springfield en wilde de Toronto Blue Jays graag zien spelen.

   Kortom: fietsen is leuk om te doen, hard fietsen kon ik behoorlijk tot 1990 en nu doe ik het op mijn gemak. Ik laat anderen hún keuze en vind het allemaal wel goed. Ik laat me niet uitdagen, zelfs niet beledigen of beschimpen… ik rij mijn eigen tempo, in normale kleding, soms met een muts op, in de herfst met handschoenen zonder vingers aan.

   Ooit had ik bij het sluisje van Spaarndam, waar een mens koffie drinkt met een in de kroeg zelf gemaakte appeltaart ernaast, een kort gesprek met een paar mannen van zo’n wielerclubje. Het waren ambtenaren, uit de hogere sectie, dacht ik, en ze waren zich aan het voorbereiden op een weekje Italië met alle grote cols. Of ik dat ook weleens gedaan had, luidde de vraag. Mijn antwoord kent U. Ik vroeg de vriendelijke mannen waar de racefiets hen nog meer gebracht had en zij noemden: Zweden, Noordwest Polen, Wallis, rond Valencia en naar de hele Tour van 2010, veel in Schotland en Ierland, de Ronde van Vlaanderen en laatst nog de Muur van Huy en omstreken en nu al een paar jaar naar mooie streken in Italië. Hun enthousiasme verwarmde me, maar dat was ook alles. En, bedacht ik, toen ze me gedag zeiden en ik mijn fietsje pakte, ik had nog zoveel te doen, dat tien dagen fietsen in een mooi gebied onmogelijk zou zijn: afspraken, columns, boeken, optredens, feiten opzoeken, muziekprogramma’s samenstellen en voorbereiden. Dat was mijn komende tiendaagse.

   Full speed forward, 17 januari 2020.

   Ik moest in Apeldoorn zijn; een soort van college-Tour, maar dan in alleenspraak. Met foto’s en filmpjes en, zo bleek, een hartstikke leuk, enthousiast kennerspubliek. Dik twee uur zou ik vertellen.

   Vooraf maakte ik kennis met de mannen die in Orpheus het toneel van de Rabobankzaal bestierden: eerlijke, harde werkers. De microfoon werd getest, ik legde mijn weggeefboeken klaar, er werd water neergezet en de voorstelling was om even voor tienen klaar. Applaus en vermoeid en met een natte rug, nam ik de bos bloemen in ontvangst.

   Direct daarna stond Fabrizio Ranalli tegenover me. Hij was een der mannen van Orpheus; stille krachten op de achtergrond die zorgden dat de voorstelling goed verliep. En de avond was goed verlopen, men had gelachen, geluisterd en, zo zei men, genoten. Dus zei Fabrizio dat het voor hem ook een fijne en leerzame avond was geweest.

   Hij was me rond halfzeven, direct na binnenkomst in het theater, al opgevallen vanwege zijn naam: mooi Italiaans. Hij zei me dat hij ervoor moest zorgen dat ik mijn werk gewoon goed kon doen. Kleedkamer, welke ingang naar het toneel, moest ik nog iets eten, moest hij nog een drankje halen, dat soort dingen.

   Fabrizio pakte toen van een van de kisten op het grote toneel een boekje en zei: ‘Jij hebt boeken weggegeven, nu krijg je er een van mij’ en hij drukte me Il Gruppetto in de hand: 19 wielerverhalen. Il Gruppetto, de bus, daar waar ook de zwakste coureur een plaats vindt.

   Fabrizio bleek graag met groepjes elders in de wereld te gaan fietsen, maar deed het ook vlakbij huis en hij lachte: ‘Ik vind fietsen gewoon enorm prettig, wil je deze verhalen van mijn hand lezen?’

   Ik knikte: graag, en stopte het boekwerkje in mijn tas. In de late avondtrein die me via Amersfoort naar Schiphol en een taxi moest brengen begon ik te lezen en toen ik opkeek was ik al bijna bij de luchthaven.

   Fabrizio Ranalli beschrijft precies wat er met mensen gebeurt die zo opgaan in hun liefde voor de fiets dat zij hoge toppen in Italië zonder moeite gaan beklimmen en dat ze zich een heel klein beetje wielrenner voelen en dat ze heerlijk eten in kleine dorpjes en dat ze hele mooi wielertruitjes zien en dan nog gelukkiger worden. Het geheim van die mannen die vaak langs me reden en me soms te kakken wilden zetten, stond in dit boekje.

   Daarom doen die mannen het. Scheren ze als 62-jarige gekken ineens hun benen en kopen ze de nieuwste Bianchi zonder dat hun vrouw dat nog weet, maar wel later als ze het afschrift van de creditcard ziet. En er dan natuurlijk iets van zegt.

   Voor jullie dus: mannen die me al die jaren glimlachend passeerden. Ik fietste en jullie speelden wielrenner te zijn. Het boekwerkje is te koop bij Readshop De Eglantier en bij Van Bon-sport in Apeldoorn en bij (let op de heerlijke naam): Ghepardo Bicicletta in Beekbergen.
   Ik raad het jullie aan.

   Dank je wel Fabrizio, veel plezier met je volgende wielertrips. Ik rijd wel op de fiets naar Albert Heijn en ben, na het boodschappen doen, blij dat het ding niet gejat is.

   In de lente ga ik weer mijn rondjes door de polder doen. Kijken naar jong leven. Tempo niets.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Beeld: Bike-Mounted Leather Beer Caddy // www.dudeiwantthat.com

Leave a Reply