DE GELUKKIGE EENZAAMHEID VAN RATTENVANGER MAASKANT


door THOMAS SIJTSMA


Geen wielrenner beëindigde zijn carrière in grotere stilte dan Martijn Maaskant. Hij gaf geen enkel afscheidsinterview en daarom moest de koersliefhebber zeven jaar wachten op antwoorden. Waarom stopte hij? Waarom was hij voor niemand te vinden? Waarom kwam er geen vervolg op de vierde plaatsen in Parijs-Roubaix en de Ronde van Vlaanderen? Waarom werd hij rattenvanger? Tegenover De Muur doet hij één keer zijn verhaal. Hierna geen vragen meer; alstublieft.

Vóór het grote publiek in Nederland zijn naam had gehoord, werd die in Spanje al met eerbied uitgesproken. Martijn Maaskant was een 23-jarig talent in de opleidingsploeg van Rabobank en deed in juni 2007 in een zevendaagse klimkoers in Cantabrië iets wat iemand met zijn postuur helemaal niet zou moeten kunnen. Het wielerminnende Cantabrese publiek zag het onmogelijke gebeuren.

   Aan de start van de etappekoers, Circuito Montañés, stonden vooral hongerige jongens, het grootste deel uit Spanje. Jong, talentvol en strijdlustig om een contract bij een van de grote ploegen te bemachtigen. De finales begonnen niet dertig kilometer voor de meet, maar vier uur eerder; twintig seconden na het officiële startsignaal. Vanwege de hoogteprofielen van de etappes stuurden ploegleiders hun lichtgewichten naar Spanje. De helft van het peloton kwam nog niet aan de helft van het gewicht van Maaskant, een renner gebouwd voor de Vlaamse voorjaarskoersen. 

   In de derde etappe (175 kilometer) tussen Santoña en Maliaño zat hij ineens met vijf andere ploeggenoten in de voorste groep: zeventig klimmers en Martijn Maaskant. Maaskant kon niet anders dan wielrennen, hij wilde ook niet anders. Er was geen plan B, geen afgeronde studie om op terug te vallen. Aan het afzien waren ze in de kopgroep allemaal. De organisatie had op zijn Spaans een loodzwaar parcours neergelegd. Behalve de Nederlanders sprongen een Costa Ricaan, een Namibiër, een Mexicaan en een ontelbaar aantal Spanjaarden mee. Stuk voor stuk lichtgewichten. Geen van hen hield rekening met die bonkige jongen van Rabobank. Wat had hij te zoeken in Cantabrië?

   Ondanks ontelbaar verwoede pogingen die Nederlander te lozen, haalde de complete groep het tot aan de baai van Santander waar de finish lag. Maaskant zette aan en won. Niet met één lengte, niet met twee, maar met een heel fietsenrek voorsprong. Elke Spaanse wielrenner kreeg in de volgende weken zachtjes zijn naam in het oor gepreveld. Die Maaskant ging een grote worden.

Het leverde de geboren Zuidlander een profcontract op. Niet bij Rabobank, daar was geen plek. Tussen 2008 en 2013 reed Maaskant voor Team Garmin. In zijn eerste jaar werd hij vierde in Parijs-Roubaix en een jaar later ook vierde in de Ronde van Vlaanderen. Niet echt verrassend, vonden de Spanjaarden die zich Cantabrië herinnerden. De kranten kwamen na Roubaix met een eenduidige analyse: ‘we’ hebben er weer een, dé Nederlandse klassiekerspecialist is terug in het peloton, Maaskant behoort tot de topfavorieten bij de volgende edities. Zoals hij debuteerden alleen de allergrootsten.

   Maaskant was de vette koe van die magere Nederlandse wielerjaren. Een koe die uiteindelijk verhongerde. Zeven gebroken ribben na een valpartij in Parijs-Nice, editie 2011, kondigden een vervroegd einde van zijn carrière aan. Hij trok zich terug, modderde door, koerste in de anonimiteit voor de bescheiden ploeg van United Healthcare, reed nog eens een wedstrijdje, worstelde in de eenzaamheid van zijn Belgische villa in Lanaken, kocht een hond voor het gezelschap, noemde het beest naar Briek Schotte, piekerde tot hij het niet meer wist.

   Tot hij het uiteindelijk wél wist: stoppen. Hij gaf nooit een toelichting op dat besluit. Wie hem belde met vragen, kreeg een lange stilte als uitleg.

   Martijn Maaskant werd rattenvanger. Waarom? Hoe? Niemand die het wist. Niemand die het kon vragen. In de jaren na zijn carrière was Maaskant met een noodgang op weg naar de vergetelheid. Nieuwe helden stonden op, met betere eindklasseringen bovendien. Nederlanders deden weer mee in de voorjaarsklassiekers, waardoor zijn naam steeds minder vaak viel. Eerst Terpstra, Langeveld en Boom. Later Van Baarle, Teunissen en Van der Poel. Maaskant werd een schim uit het verleden. De korte samenvatting van zijn levensloop eindigde met veel vraagtekens.

  Een rondvraag langs voormalig collega’s uit het peloton leverde geen antwoorden op. Ze hadden ook geen adres of telefoonnummer. Ze konden zich de laatste keer dat ze hem hadden gesproken niet herinneren. Maaskant leek in hun woorden een kluizenaar die toevallig heel hard kon fietsen en zich daarna had teruggetrokken. Als hij al sprak, was het met weinig woorden. 

   Dat Maaskant geen prater is, werd me al eerder duidelijk toen ik zocht naar interviews. Dat waren er niet veel. Jonathan Vaughters, zijn voormalig ploegleider bij Garmin, omschreef zijn karakter zo: ‘Mijn oma zei altijd: stille wateren hebben diepe gronden. Ik ken niemand op wie dat spreekwoord meer van toepassing is dan op Martijn.’

  Bij gebrek aan een tussenpersoon nam ik de meest banale route tot contact: Facebook. ‘Ha Martijn. Zou ik je een keer kunnen spreken voor een verhaal?’ schreef ik hem. Het vriendschapsverzoek negeerde hij. Een dag later volgde toch een reactie: ‘Kan wel, voor welke krant?’

   Er volgde anderhalf jaar van zinloze pogingen een afspraak te maken. Hij was inderdaad graag op zichzelf, legde hij uit bij een van de sporadische keren dat hij zijn telefoon opnam. Van mijn 25 telefonische oproepen bleven 23 onbeantwoord.

Niet leven zoals sociaal gewenst is, maar leven zoals je zelf wenst. Maaskant lacht om de termen ‘zonderling’ en ‘einzelgänger’. Die heeft hij vaak gehoord. ‘Van alle renners heb ik alleen nog contact met Huub Duyn. Misschien omdat we dicht bij elkaar woonden en teamgenoten waren bij Rabobank en Garmin. Daardoor kregen we een band. Verder spreek ik niemand meer. Die contacten mis ik ook niet. Dat komt vooral door mijn karakter. Anderen zijn actiever in het onderhouden van vriendschappen. Daar heb ik geen behoefte aan. Mensen in het wielrennen heb ik altijd als collega’s beschouwd, niet als vrienden.’

   Teruggetrokken. Soms wat schuw. Zo omschrijft Maaskant zijn persoonlijkheid. ‘Sommige renners kwamen bij de ploeg binnen en deden alsof ze al vier keer wereldkampioen waren geworden. Van dat soort types hield ik niet. Zet die grote mond op als je iets gewonnen hebt, niet eerder. Ik trainde ook vrijwel altijd alleen. Dat vond ik prettiger dan met anderen of in een groep. Het had bovendien meer effect. Als je in een groep rijdt, zit je veel in het wiel bij een ander.’

   In zijn profjaren zag Maaskant regelmatig ‘Sleepy Martijn’ in de krant voorbijkomen. Hij haatte die naam, hij haatte bedenker Chris Sutton ook en hij haatte het dat de bijnaam altijd werd opgerakeld. Zijn ploeggenoten bij het Amerikaanse Garmin noemden hem zo omdat hij graag lang in bed bleef en een afwezige indruk maakte.

  ‘Ze wilden mijn rustige karakter benadrukken met die bijnaam. Het was een klotegrap van Sutton, we lagen elkaar niet. Hij was zo’n type met een mond die groter was dan zijn prestaties. In de pers werd vaak naar die bijnaam gevraagd. Nog een reden waarom ik me soms terugtrok. Als je kalm overkomt, een beetje nonchalant misschien, lijkt het alsof het je allemaal niet interesseert. Onzin natuurlijk. Anders was ik nooit zo ver gekomen in het wielrennen. Het was niet zo dat ik elk trainingskamp een gat in de dag sliep.’

   Als ik Maaskant telefonisch spreek, begrijp ik wat de renners van Garmin met de typering van hun ploeggenoot bedoelden. Maaskant verheft zelden zijn stem. Hij praat licht eentonig. De zinnen verlaten zijn mond in het ongelijkmatige tempo van water dat uit een half dichtgedraaide kraan druppelt. De decibellen zijn gelijk, maar naarmate de zin vordert, zijn de pauzes steeds langer. Soms vermoed je dat het druppelen stopt en het water op is. Maar dan hervat Maaskant toch weer zijn verhaal. Wie langer met hem spreekt, raakt gewend aan zijn manier van praten en begrijpt dat er veel schuilgaat achter zijn kalme voorkomen. Sutton nam er waarschijnlijk nooit de tijd en moeite voor. 

   Het duurt vervolgens maanden tot we elkaar weer spreken. Maaskant bleek ongrijpbaar. Ik was net zo kansloos als alle andere journalisten die hem wilden spreken over de vragen rond zijn wielerpensioen. Na het telefoongesprek dacht ik contact met hem te hebben, maar Maaskant ontweek schijnbaar moeiteloos alle pogingen een afspraak te maken voor een langer gesprek.

   Tot ik ineens mocht langskomen. ‘Ik heb er inderdaad lang over nagedacht. Als je een leuk stuk schrijft over mijn wielerloopbaan wil ik het best doen. Mijn excuses voor de late reactie trouwens,’ schreef hij in een onverwacht bericht. 

Zijn witte woonboerderij, gefinancierd met het lucratieve contract dat hij bij Garmin verdiende, staat in een boomloze polder met smalle asfaltwegen en sloten, het minst Brabantse landschap van Noord-Brabant. De boerderij is van grote afstand te onderscheiden. De mensen leven hier van de akkerbouw. Om de woning van Maaskant liggen tot in het oneindige landerijen, hier en daar onderbroken door een boerenbedrijf. In het oosten ligt Aalburg, in het zuiden Heusden en Waalwijk. In dit gebied tussen Waal, Merwede en Maas is Maaskant verantwoordelijk voor het beheersen van de populatie muskusratten.

   Op de oprit staat een busje met het opschrift ‘Muskusrattenbeheer Rivierenland’. Briek blaft gastvrij bij de voordeur. Twee keer een bevestiging dat dit het juiste adres is. Het is vrijdag, de vrije dag van Maaskant na een werkweek van vier dagen. Zijn donkere haar is wat dunner dan voorheen, het lichaam iets zwaarder, maar het postuur van de renner is intact. Hij zou graag wat vaker fietsen. Door het gezinsleven komt het er te weinig van.

   Maaskant neemt plaats aan de eettafel in de achterste ruimte van de woonboerderij. Hij is waarschijnlijk de enige wielrenner die van het vangen van ratten zijn beroep heeft gemaakt. We kennen beiden in ieder geval geen andere voorbeelden. Zijn oom doet het werk al 35 jaar en vroeg Maaskant toen er bij waterschap Rivierenland iemand werd gezocht. Het leek hem wel geinig. ‘Ik hou van mijn vrijheid. Als ik opsta, hoef ik nergens heen. Niemand verwacht mij op kantoor. Niemand let op mij. Als wielrenner was ik het liefst op mezelf en dat ben ik nog steeds. Het is ook nog eens buiten en ik ben lekker alleen.’

foto Cor Vos ©2009

   Het streven is nul muskusratten in dit gebied. Dagelijks gaat hij op zoek en controleert hij de watergangen langs de slootjes en in ondiep water. Eenmaal gevonden, probeert hij de ratten te vangen. Per jaar vangt Maaskant er ongeveer honderd. Dat is nodig ook, want de vrouwtjes baren jaarlijks vijf tot tien jongen, die vervolgens muskusrattenbeheerder Maaskant achter zich aan krijgen. Honderd ontsnapte ratten zijn een jaar later vierhonderd ratten. Die vormen een bedreiging voor de dijken, niemand zit te wachten op een plaag. 

   ‘Het werk is heel simpel, maar het is niet simpel om de ratten te vangen,’ zegt Maaskant. Hij wil liever niet dat ik een dag met hem op stap ga, de polder in. Het zou mij sowieso tegenvallen, want er is weinig te zien, benadrukt Maaskant. Een gesprek over zijn wielercarrière is goed, maar het leven na en naast de koers laat hij om verschillende redenen liever onbesproken. ‘Ik ben niet altijd even gelukkig geweest. Nu, met mijn vrouw, twee kinderen en werk, heb ik het naar mijn zin. Dat is voldoende. Ik heb het liever over wielrennen.’

   Net als zijn vader en oom, beiden verdienstelijk amateur, wilde de jonge Maaskant wielrenner worden. Dat ging moeizaam. Hij reed voor de ploeg van Van Vliet en kon hij zich financieel redden dankzij een bijbaantje bij een garage, waar hij auto’s waste. Om kosten te besparen bleef hij bij zijn ouders wonen. Maaskant fietste hard en belde Nico Verhoeven, die hem vervolgens een kans gaf bij het Continental Team van Rabobank. Daarna kwam het jaar van Circuito Montañès, waardoor een contract bij het toenmalige Garmin klaarlag. Eenmaal prof maakte de Zuidlander een zeldzaam verpletterende entree met vierde plaatsen in Roubaix (2008) en Vlaanderen (2009) en opvallende optredens in vergelijkbare koersen. 

   ‘Mensen gaven meteen heel hoog van me op en achteraf gezien is dat wel het grootste probleem van mijn loopbaan geweest.’ Wat Maaskant wil aangeven: de druk is vanaf zijn eerste voorjaar te groot, de verwachtingen te hoog. Hij wordt slachtoffer van zijn eigen prestaties, want de opzienbarende uitslagen keren, afgezien van een zevende plek in de Omloop van 2011, nooit meer terug. Teksten in het Algemeen Dagblad geven aan hoe naar hem werd gekeken:

   Hennie Kuiper, in 2009: ‘Ik ken hem niet persoonlijk, maar als je me vraagt of Martijn ooit in staat is om Parijs-Roubaix te winnen, moet ik daarop zeker bevestigend antwoorden. Hij was vorig jaar vierde en in Vlaanderen nu dus ook. En hij is nog jong. Dat betekent dat hij als renner nog beter wordt.’

   Martijn Berkhout, zaakwaarnemer: ‘Als je vierde kan worden, kun je deze koers ook ooit winnen. Toch vind ik niet dat hij nu al tot de favorieten behoort. Martijn is nog altijd een opkomende renner. Als hij steeds wat sterker wordt in het rijden van finales moet het voor hem ooit mogelijk zijn.’

   Hans Dekkers, ploeggenoot bij Garmin-Slipstream: ‘Als je een lijstje met favorieten maakt, zit Martijn daar voor mij absoluut bij. Hij leest de koers altijd goed, weet bij wie hij in de buurt moet zitten, is redelijk snel en heeft vorig jaar bewezen dat hij erbij kan zitten. Of hij wint is nooit te voorspellen, maar ik denk zeker dat hij de koers tot in de finale mee zal kleuren.’

   Maaskant, dan halverwege de twintig, wordt opeens genoemd als rivaal van Tom Boonen en Fabian Cancellara. ‘Ik reed die jaren ook de Tour de France en volgens mij haalden zes of zeven Nederlanders Parijs. Niemand van ons reed vaak in beeld, om de zeges deden we niet mee. Door al die aandacht ging ik ook in mezelf geloven, legde ik er nog meer druk op. Die vierde plaatsen in Roubaix en Vlaanderen moesten met wat meer ervaring beter kunnen. Dan moest ik ook kunnen winnen. Ik begon te veel in mezelf te geloven.’

   De gevolgen van de toenemende druk zijn af te lezen in de uitslagen van de jaren na 2009. Op de wielerbaan van Roubaix wordt Maaskant nog 98ste en 22ste, in Vlaanderen 90ste. In 2011 en 2012 staat hij niet meer aan de start. ‘Ik kon er heel slecht tegen. Ik blokkeerde gewoon, in mijn benen en in mijn hoofd. Het is een ongrijpbaar verschijnsel, maar ik kon het niet meer waarmaken. Het kwam er gewoon nooit meer uit. Ik wilde te graag, brandde mezelf op door te veel door de wind naar voren te rijden.’

   Zijn kamergenoot Magnus Backstedt maakte zich voor grote wedstrijden druk over de bandenspanning en schoenplaatjes. Maaskant leek onbewogen. ‘Bij mij lijkt het al snel alsof het me allemaal niets kan schelen. Ondertussen is het wel chaos in mijn hoofd. Ik uit het alleen niet.’

Zijn beste seizoen reed Maaskant in 2007, het jaar waarin hij de rit in Cantabrië won. Hij zegevierde ook in de Ronde van Drenthe, won een etappe in Olympia’s Tour en nog een handvol koersen in het buitenland. Na Circuito Montañés viel zijn naam steeds vaker. Tegen zijn zin. Tijdens Parijs-Roubaix 2008 verwachtte niemand iets van hem, maar nadat kopman Backstedt zijn wielen kapot had gereden, zat hij ineens in de kopgroep tussen Boonen, Cancellara, Ballan, Hoste en Devolder. De situatie leek op die van Circuito Montañés: vrijwel iedereen van de eersten kon winnen, behalve Maaskant. Die hoorde niet meer in de groep te zitten. 

   ‘Ze hielden geen rekening met mij. Ze verwachtten niet dat ik het vol ging houden tot de finish. En voor mezelf was twintigste ook prachtig geweest. Maar de jaren daarna niet meer. Als ik dan achtste was geworden, had iedereen dat een tegenvaller gevonden. Ik werd te vroeg vierde en vestigde daardoor alle aandacht op mezelf. Tegen wil en dank. Dat vertaalde zich ook naar de ploeg. Ik werd voor alle klassiekers de aangewezen kopman. Het kaderplaatje met nummer 1 kwam aan mijn fiets te hangen. De wedstrijdtactiek werd op mij afgestemd, terwijl ik dat eigenlijk liever niet had. Al uitte ik dat nooit. Weer dat karaktertrekje. Als ik lekreed, moesten alle ploeggenoten, dus echt iedereen, wachten om mij terug te brengen naar de voorste groep. Ik geloof dat ze wel twaalf fietsen voor mij mee hadden. Langs de hele route stonden mensen klaar om mij in geval van pech bij te staan.’  

   ‘Niemand staat er echt bij stil wat zulke verwachtingen met een renner doen. Het valt niet mee om aan de top te blijven. Zie hoe het gaat met Tom Dumoulin. Bij hem is de druk nog veel groter, het hele land kijkt mee over zijn schouder. Daar doe je niets aan. Net als ik komt hij ook rustig over, maar misschien voelt hij veel meer stress dan anderen.’

  Tijdens het gesprek komen zijn vrouw Jantine en kinderen Tijl (3) en Tuur (1) binnen. Maaskant probeert een glimlach te onderdrukken, er worden ernstige onderwerpen besproken, maar het geluk is van zijn gezicht af te lezen. Zijn gezin koestert hij veel meer dan zijn wielercarrière. In dit huis zijn druk en verwachtingen geen onderdeel van het dagelijkse leven. Als de jongens ouder zijn, wil hij met ze fietsen.

 

In 2011 kreeg Maaskant bij Garmin, na zijn veelbelovende uitslagen, een opgewaardeerd contract. Het hoge jaarsalaris hing als een molensteen om zijn nek. Toch voelde hij zich vrijer, omdat de ploeg niet meer helemaal op hem was afgestemd. Met Haussler, Hushovd, Vansummeren en Vanmarcke werden de kansen gespreid. Dat gaf hem hoop.

   Niet veel later ging het fout in Parijs-Nice. Hij kwam ten val in een natte afdaling. Maaskant wilde het gat met Lieuwe Westra dichten voor sprinter en teamgenoot Haussler. Hij werd wakker in de ambulance met zeven gebroken ribben en een geperforeerde long. Hij had geen herinneringen aan het incident. Er ging een streep door het voorjaar en Maaskant liet zich opereren voor hartritmestoornissen die aan het licht waren gekomen. 

   Er kwam nooit meer een antwoord op de vraag of de Maaskant van Circuito Montañes 2007 en Parijs-Roubaix 2008 ooit nog zou terugkeren. Na het blessureleed begon de worsteling pas echt. ‘Ik vroeg me af of alles in mijn lijf wel goed zat. Mijn conditiepeil ging maar niet vooruit.’

   Maaskant vroeg meer tijd om te werken aan zijn terugkeer. De ploegleiding gaf die tijd niet. De Nederlander werd teruggeroepen van een trainingskamp in de Pyreneeën om de Brixia Tour in Italië te rijden. ‘Ik weet nog steeds niet waarom ik moest opdraven. Waarom laat je iemand starten die er echt nog niet klaar voor is? Als je een mindere renner bent, word je snel opgebrand. Dat is voor niemand goed. Ik gaf aan dat ik niet kon en ook niet wilde, maar het werd me verplicht. Ik ging als opvulling koersen. Nog steeds vind ik het moeilijk om te bellen naar mijn werkgever als ik ziek ben. Ik begon in die periode hard aan mezelf te twijfelen. Was Parijs-Roubaix toeval? Was ik wel goed genoeg om een prof te zijn? Trainde ik wel hard genoeg? Ik kon op die vragen geen antwoorden vinden.’

  Maaskant zakte steeds verder weg. Een donker gordijn schoof langzaam voor zijn levensvreugd. In 2013 kwam het tot een dieptepunt. Dwars door Vlaanderen: DNF. E3 Prijs: DNF. Ronde van Vlaanderen: DNF. Brabantse Pijl: DNF. Parijs-Tours: DNF. In andere koersen was hij vrijwel onzichtbaar. ‘Ik streefde naar mijn oude uitslagen, dan is alles daaronder slecht. Het ging echt niet goed met me. Wielrennen voelde als mijn levenswerk, maar ik kon het niet in stijl afmaken. Ik kon bovendien niets anders, ik had niets geleerd in mijn leven.’

   ‘Nu denk ik dat een ander karakter mij verder had gebracht. Het ontbrak me aan zelfvertrouwen, ik twijfelde aan alles. Zoals Sutton had ik moeten zijn, roepen dat ik kon winnen. Maar kon ik dat wel? Ik was vaak te bescheiden. Aan de andere kant wilde ik juist geen druk voelen. Hoe combineer je die twee uitersten in een mens?’

   Het antwoord lag misschien bij een kleinere ploeg: het Amerikaanse United Healthcare. Maaskant was de enige renner van naam binnen het team, ze reden voor hem, maar zonder de aandacht van het grote publiek. Ver weg van Europa kon hij werken aan het terugkeren naar zijn oude niveau. In koersen waarvan de uitslagenlijsten Nederland nooit zouden bereiken. 

   United Healthcare had vooral een programma met Amerikaanse koersen. In 2013 behaalde de ploeg acht overwinningen. Geen enkele was echt aansprekend. In de Tour of Gila, The Philadelphia Cycling Classic en Bucks County Classic kon United Healthcare leuk meedoen, een niveautje hoger bleek het vooral aanpoten en aanhaken. Als er al in het buitenland werd gereden, was dat in Canada of ergens in Azië.

   Met die wetenschap tekende Maaskant zijn contract. ‘Maar uitgerekend in 2014 kregen ze uitnodigingen voor Milaan-Sanremo, tal van Vlaamse koersen en ook voor Parijs-Roubaix. De verwachtingen waren meteen weer hooggespannen. In aanloop van de wedstrijden werd ik overspoeld met vragen of ik bij deze nieuwe ploeg mijn opzienbarende uitslagen van jaren eerder kon evenaren.’

   Daar was tot dan toe weinig aanleiding voor geweest. 2013, het laatste jaar bij Garmin, sloot Maaskant af met de ene teleurstelling na de ander. Zijn motivatie had een dieptepunt bereikt. De gewenste bevrijding kwam er niet in de eerste maanden bij United Healthcare. Zo nu en dan bevestigde een korte klassering zijn potentie, maar dat was dan wel in bescheiden wedstrijden als Valence Drôme Classic en Dwars door Drenthe. In de schijnwerpers wierp de blokkade zich weer als vanouds op. 

   Uitgerekend op de kasseistroken in het noorden van Frankrijk viel het tegen: 82ste achter Andrea Palini en voor Egoitz García. ‘Het hoefde voor mij niet meer. Ik wilde stoppen en deed dat een paar maanden later ook. Ik was 31 jaar. Eindelijk kwam er een einde aan de druk en hoge verwachtingen.’

De wielrenner Maaskant, geboren en gestorven op de kasseien van Roubaix. Slechts in de groene heuvels van Cantabrië klinkt nog de vage echo van zijn naam, een enkeling herinnert zich zijn vierde plaatsen in Roubaix en Vlaanderen. De vergetelheid past hem.

   Martijn Maaskant jaagt in de eenzaamheid van zijn Brabantse polder op de muskusrat; hij is een gelukkig man.


Leave a Reply