Auteur: Mart Smeets

Neen, geen verhaaltje over Bernard Hinault. Zijn bijnaam ‘Le blaireau’ laat ik buiten mijn gedachten geparkeerd. Ik heb hem overigens zelden of nooit zo genoemd. Noch heb ik de connectie willen maken tussen dat beestje en de mij bekende karaktereigenschappen van de Breton.

   Nee, het gaat hier over een das, een ding dat je om de nek drapeert, waar je een knoop inlegt en dan, in de huidige wereld, bijna voor zielige traditionalist of in ieder geval joker staat.

   Welk mens draagt nog een das?

   Het is immers het affreuze voorbeeld van achterhaalde burgermanethiek en ooit door Prins Claus op treffend eenvoudige manier gebagatelliseerd en op sympathieke wijze ten grave gegooid.

   Toch mag de das bij bepaalde gelegenheden worden gestrikt. Donald Trump draagt lelijke, opvallende, veel te lange dassen, Mark Ruttes knoopgedrag is wankel, minister Eric Wiebes heeft ook nog wat bijlessen nodig. Eigenlijk is nieuwslezer Winfried Baijens de beste Nederlandse dassendrager. Hij vindt het onzin, maar past zich aan en doet zulks met smaak.

Toch. In mijn handen heb ik een heuse stropdas die nog huist in een plastic foedraaltje.

   Ik vertik het dat ding om te doen, maar ik wens er zeker geen afstand van te doen.

   De eigenlijk lelijke das komt van Teerific Tie in de Snellestraat 14 in ’s-Hertogenbosch. Tenminste, als die zaak daar nog huist.

   De kleur van de das is zeegroen en de van een foto overgenomen afdruk voorop de das toont ons Fausto Coppi terwijl hij een berg beklimt in een grote, zeer waarschijnlijk Italiaanse koers.

   Ik weet niet meer hoe ik aan deze das ben gekomen; waarschijnlijk een welgemeend gebaar van een fan. Ik heb de das nooit gestrikt of in het openbaar vertoond, gewoon omdat ik… Omdat ik dat niet vond ‘kunnen’, of woorden van gelijke strekking?

   Misschien is de stropdas zelfs wel te mooi van lelijkheid om gedragen te worden.

   In ieder geval heb ik nog nooit iemand met zo’n das zien lopen.

   Ik wist ook niet dat je zoiets gewoon in een winkel kon kopen. Een zeegroene, zwaar kunststoffen das met een stoempende Coppi erop en een klok in de achtergrond die op tien voor zes staat.

   Wie weet hoe lang dat uurwerk al stilstond? Of misschien deed hij het nog wel en was het een lange etappe die laat in de middag eindigde.

   Ik hoor niet bij het peloton van Coppi- of Bartali-zwelgers. Ik ken beider geschiedenis en mijn voorkeur is altijd naar Coppi uitgegaan. Bartali was me te rooms, te slaafs, te braaf, te veel CDA.

   Ja, fietsen kon hij, maar het gaat hier om het karakter.

   Coppi was allang dood en heiligverklaard in Italië toen Bartali nog in een blits open autootje in de Giro rondgereden werd ter promotie van een frisdrank. Het had iets tragisch dat wel in de Italiaanse cultuur paste, maar niet in die van ons.

   Ik dacht en hoopte dat Coppi dat nooit gedaan zou hebben.

   Ik acht het ook zeer aannemelijk dat de nog levende familieleden van Coppi geen toestemming hebben gegeven de beeltenis van hun beroemde voorvader op een stropdas gedrukt te zien.

   Ook daarom is het een heel speciale das. Het is een hebbedingetje voor extreem vrome volgers van het Italiaanse fietsen. Het is een kleinood dat je nooit zult strikken, terwijl je toch met iets van een zachte blik over de afdruk van de wielrenner glijdt.

   Coppi, Bianchi, toeclips, een bidon middenvoor het stuur, remkabels als boogjes erboven. De auto die Coppi volgt, is van oneindige schoonheid en dateert de afbeelding.

   Vroeger.

   Ik heb nu al zevenmaal met die das in mijn handen gestaan om hem weg te gooien, maar ik heb het steeds niet gedaan. Steeds weer leg ik de das weg, twee jaar later kom ik hem weer tegen en denk ik:  ‘Coppi, Fausto Coppi, ongrijpbare held, dwarsligger, vreemdganger, superbe tijdrijder, socialist, artiest, vrije geest.’

   Het is, denk ik, om die eigenschappen dat ik de das niet durf weg te gooien. Omdat ik dan mijn eigen gedachten over een vroegere held die ik uiteraard nooit “life” aan het werk zag, vermorzel.

   Mijn vader zag Coppi ooit tegen Gerrit Schulte rijden, in het Olympisch Stadion van Amsterdam. Hij kon daar lyrisch over vertellen: de grootste achtervolging ooit gereden, zei hij.

   Coppi zit dus wel in mijn DNA en zoiets bedek je niet met een stropdas.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


 

Leave a Reply