DE BEKENTENISSEN VAN ARMSTRONG 2.0


Auteur: Mart Smeets

De man spreekt me zo soms in het voorbijgaan aan. We wonen in dezelfde buurt en eens in de zoveel tijd passeren we elkaar. Vaak met een hoofdknik of een ‘goedemorgen’, soms houdt hij me staande en vraagt iets. Vaak iets sportgerelateerds; hij kent mijn Leidenschaft, maar ik denk niet dat hij ooit de naam Studio Sport heeft laten vallen.

   Hij volgt de koers en is fan van Niki Terpstra, vanwege diens avontuurlijk gedrag. Nadat de Noord-Hollander Vlaanderen won, kwam ik hem tegen op de brug. Ik zag dat hij me aan zou gaan houden.

   Na wat plichtplegingen van oude mannen die elkaar tegenkomen, vroeg hij: ‘Meneer Smeets, mocht het zo zijn dat Terpstra die wedstrijd op oneerlijke manier heeft gewonnen, wilt u daar dan geen naar en afwijzend stukje over schrijven in onze krant?’ Ik moet hem vragend aangekeken hebben, want hij ging meteen door: ‘Dat zou mijn geloof in het wielrennen helemaal vernielen…’

   ‘Want?’

   ‘Zo’n beetje zoals u al die jaren in die sport hebt moeten werken.’

   Het werd een heel leuk gesprek met statements als ‘het verschil tussen de werkelijkheid en de waarheid’ en ‘soms wil ik het gewoon niet weten’ van hem.

   Dat laatste hadden mensen vaker tegen me gezegd.

Na hem in de coronatijd lang niet gezien te hebben, kwam ik hem op de zondag na het eerste deel van de Lance-documentaire op Fox weer tegen. Ik moest even wat vuil in de container storten en hij deed zijn gebruikelijke ochtendexercitie. Hoe het me me ging, vroeg hij. Er volgden veertig seconden van vriendelijkheden, zoals we van elkaar gewend waren.

   Toen kwam hij: ‘Heeft u die docu van Lance gisteren gezien? Ik neem aan van wel.’

   Ik knikte.

   Hij: ‘Heeft u niet een heel erg snijdend gevoel bij het aanhoren en aanzien van die man?’

   Ik schudde mijn hoofd en legde hem uit dat ik heel veel gevoelens omtrent Lance Armstrong naast me had neergelegd in de achterliggende jaren. Niet dat ik hem vergeten was, maar er was toch gedaan wat er gedaan was en er was gezegd wat er gezegd was.

   ‘Maar daar gaat het me om,’ zei mijn gesprekspartner. ‘Toen bij Oprah was het toch zijn definitieve mea culpa, als je het zo mag noemen. Maar gisteravond kwam daar nog eens een hele andere laag overheen; confessie twee punt nul.’

   Ik: ‘Tyler Hamilton heeft verleden week beweerd dat hij er zeker van is dat Armstrong nog steeds zat te liegen en dat de waarheid waarschijnlijk nog anders ligt dan dat hij nu verwoordde.’

   De man dacht even na en keek naar een passerende boot, schuin naast ons: ‘Hoeveel andere waarheden zijn er dan nog?’

   Ik haalde mijn schouders op. ‘Nog heel veel meer, denk ik, maar hij alleen weet dat, wij gissen en kijken naar de televisie en zien hem. Tegen Oprah was hij nerveus en nederig en leek hij toch wel alles naar buiten te brengen wat er in hem zat, maar dat was dus niet zo.’

   Er viel een korte stilte.

   ‘Meneer Smeets, hij heeft u systematisch staan voorliegen in al die gesprekken die ik van u met hem gezien heb. En dat liegen gaat dus gewoon door, is dat wat u wilt zeggen?’

   ‘Dat weet ik niet. Ik heb hem ruim tien jaar geleden voor het laatst gesproken. Zo heel soms komt hij nog kort mijn leven binnen, via een podcast of een filmpje of een krantenartikel, dat is het eigenlijk wel. Ik vond hem gisteravond wel typisch Lance. Veel fuck-dit en fuck-dat, veel krachttermen. Maar ach, de docu is gemaakt door een commercieel kabelbedrijf en daar mag dat allemaal. Daar hoeft fuck niet weggepiept te worden.’

   ‘Daar gaat het me niet om, dat taalgebruik is slechts vorm en als hij zo denkt en daardoor zo spreekt, zegt dat veel over de manier hoe hij is opgevoed en nu nog steeds leeft. Maar het gaat me vooral over de manier waarop hij, rustig zittend tegenover een vragenstelster, een nieuw zijweggetje in zijn wielerleven vindt. Een nieuwe onthulling, een ander verhaal… Snapt U?’

   Ik knikte en zei: ‘Ben benieuwd wat het volgende week wordt.’

   Hij: ‘Misschien nog wel weer andere nieuwe verhalen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik me er wel op verheug. En u?’

   Ik knikte: ‘Ik eigenlijk ook wel. Ik werd gisteravond behoorlijk in de docu gezogen, eigenlijk meer bij hem dan in die van Michael Jordan, vreemd genoeg.’

   We namen afscheid, hij liep naar rechts en ik ging met mijn vuilniszak naar links.

   Ik legde mijn kaartje op het elektronische oog van de grote vuilbak. Ik schoof de ingang open, duwde de plastic zak erin, deed de klap weer dicht en hoorde de doffe plop toen die zak op de bodem van de ondergrondse bak plofte.

   Ziezo, vuil opgeruimd, dacht ik en liep langzaam terug naar de brug.

   Ziezo, vuil opgeruimd, maar was dat werkelijk zo? Ik had mijn afval in een bak gemieterd en ik was er dus vanaf. Maar, bedacht ik met een zachte lach om mijn lippen, ik was dus nu van het vuil af en iemand anders moest het nu verzamelen, vervoeren en verwerken. Ik had mijn probleem doorgegeven aan een ander.

   Wat zit de wereld toch mooi in elkaar, dacht ik.

   Thuis had ik telefonisch contact met mijn zoon. Hij had, zei hij, met een nieuwsgierigheid die hij niet bij zichzelf verwacht had, naar de docu gekeken. ‘Boeiend,’ noemde Tjerk het.

   ‘Maar is dit de echte waarheid?’ vroeg ik.

   ‘Dat zal in deel twee moeten blijken. Hoe voelde je je onder het zien van die beelden? Wereldkampioen in Oslo en jij toen zeer enthousiast.’

   Ik begreep hem. En hij mij.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Leave a Reply