Beelden uit Romandië halen het grijze verleden naar boven


Auteur: Mart Smeets

In het jaar dat ik geboren werd, won Désiré Keteleer de eerste uitvoering van de Ronde van Romandië. Neen, ik kan het me niet meer scherp herinneren. Keteleer werd door het peloton ‘Dis’ genoemd en kon volgens Edgard Sorgeloos behoorlijk smerig de sprint aantrekken. Met diezelfde Sorgeloos, die de bijnaam ‘Labie’ had, bezocht ik eens deze Zwitserse koers, die altijd direct na de voorjaarsklassiekers viel, waarom weet ik eigenlijk niet, want we (bij de NOS) zonden die wedstrijd toen niet live uit.

foto Cor Vos ©2005

   Ik maakte een kort interview met Johan van der Velde die de wedstrijd won. Hij, Van der Velde, is een der vijf koene Hollanders die deze bij ons tamelijk onbekende koers van bijna een week wist te winnen.

   Pubkwisvraag: wie waren de andere vier?

   Ik kwam tot drie namen en was, waarschijnlijk geheel terecht, vergeten dat Thomas Dekker (ja, die van het bordeelbezoek en het noemen van de naam van een ploeggenoot, die flinkerd dus) ook een keer had gewonnen.

   Van der Velde reed graag en goed in Romandië. Hij vertelde me toen dat hij makkelijk tegen de Zwitserse cols opreed omdat die over het algemeen goed liepen en zeer goed onderhouden waren: mooi en niet uitgereden asfalt, schoon, geen bochten met verraderlijk grint, puur Zwitserse precisie en de zin voor netheid.

   Als je het grootboek van Romandië goed bekijkt zie je dat de Brabander zes etappes won en daarmee behoort tot een sterk groepje: Vittorio Adorni, Michael Albasini, Knut Knudsen, Gianni Motta en Tony Rominger zitten in het pelotonnetje van winnaars van zes etappes.

   Van der Velde won de koers in 1978 door gedurende de eerste etappe Genève-Yverdon goed op te letten en niet alleen die etappe, maar ook de laatste etappe van toen, Montreux-Thyon, te winnen. Ik herinner me dat ik na de voorlaatste etappe door Sorgeloos was voorgesteld aan de waarschijnlijk beroemdste sportman die Zwitserland ooit gekend heeft.

   Het ging zo: we checkten in een goed hotel in, pakten onze valiezen op en toen tikte een man met een onberispelijk schone, witte broek en een mooie trui aan het slanke lijf de Vlaming naast me op de schouder.

   De twee maakten een herkenningsaccolade en hielden elkaar heel even vast. Ze spraken een mengelmoes van Vlaams, Frans en Zwitser-Duuts en uit alles was op te maken dat ze veel samen gekoerst hadden, dat ze wisten van het een en ander en dat deze hereniging prettig gevonden werd.

   Labie stelde me voor aan Ferdi Kübler, door de Zwitsers liefdevol ‘De Arend van Adliswil’ genoemd en door de Fransen ‘Mr. 100.000 volts’. Sorgeloos vertelde me dat in het peloton ook wel de vrij voor de hand liggende bijnaam ‘Le Nez’, de neus, gehanteerd werd, want de Zwitser was uitgevoerd met een werkelijk formidabel reukorgaan.

We dronken die avond een glas en ik luisterde naar wat de oud-coureur (oud-wereldkampioen en Tourwinnaar) allemaal te berde bracht. Hij was, goed gekleed, het restaurant binnen gekomen, was aangehouden door velen, had handen geschud, had zich de wijn goed laten smaken en was tenslotte, met een man of vijf de bar van het restaurant binnengelopen, een lach breed op zijn gelaat: wat we wilden drinken?

foto Cor Vos ©2005

   Het werd laat die avond, Johan van der Velde was allang door zijn eerste slaap heen toen het feest in de bar ophield: Ferdi had het hoogste woord gevoerd en bleek een enorm geestige redenaar die samen met Labie vrijuit en onder denderend gelach van de toehoorders licht gênante vertellingen uit hun jonge jaren ophaalde. Ik meen dat Peter Post er ook bij was en Fred DeBruyne, alsmede twee Italianen waarvan ik er eentje herkende: de geblokte kampioen Adorni.

   In dat peloton van Alte Kameraden, mannen die samen van alles hadden uitgespookt en die gelachen hadden en gefeest, die gewonnen hadden en de boel hadden verkocht, bleek nog een broederschap van breekbare oneindigheid te bestaan. Zolang ze elkaar nog zagen, zolang ze nog in koers kwamen, in welke rol dan ook, zo lang zouden ze nog verhalen vertellen en het glas heffen.

   Kübler was de gangmaker, ik luisterde op afstand mee en genoot.

Toen het gezelschap de bar verliet, viel het me op dat helemaal niemand afrekende.

   Labie, die dit mechanisme direct herkende zei: ‘Let maar op, zo is Ferdi. Altijd geweest ook.’

   De eigenaar van het etablissement, die vol trots met de oud-renners op de foto was gegaan, werd even toegesproken door Kübler. De Neus bedankte de man hartelijk, loofde zijn gastvrijheid en zei nog graag een keer terug te komen. Hij dankte voor de heerlijke wijnen, gaf de man een hand en we vertrokken.

   Sorgeloos vertelde me de volgende ochtend aan het ontbijt dat Ferdi dit zijn hele leven al deed als hij in eigen land was: hij was zó bekend, zó beroemd dat hij er maar een gewoonte van had gemaakt zich te laten inviteren door bareigenaren en restaurantbazen. ‘Iedereen in Zwitserland kent Ferdi en Ferdi kent iedereen en daar profiteert hij volop van.’

   ‘Maar we hebben wel zes flessen wijn en niet van de simpelste staan leegdrinken,’ zei ik, maar Sorgeloos haalde zijn schouders op: ‘We waren toch samen met De Neus. Dan weet je hoe je in Zwitserland bediend wordt.’

Kübler won tweemaal Romandië: in 1948 en 1951. Hij kon klimmen, aankomen en praten. God, wat had die man een verhalen voorradig. Of ze allemaal waar waren? Wat maakte dat uit, ze kwamen uit zijn mond, hij was Ferdi Kübler, de beroemdste coureur ooit uit Zwitserland.

   Hij overleed in 2016 op 97-jarige leeftijd. De avond van zijn sterfdag werd het stil in Zwitserland. Het ratelende fietswonder was stilgevallen en er kwamen geen fraaie anekdotes en liederlijke vertellingen meer uit zijn mond. Ook in zijn laatste levensjaren was hij nog altijd picobello gekleed, gekapt en geschoren gebleven. Hij had een vol wijnglas geaccepteerd van eenieder, had grappen gemaakt en was tot diep in de negentig ‘die beroemde coureur van weleer’ gebleven voor zijn publiek: of ze nu Frans, Italiaan, Duits of Reto-Romaans spraken; hij was van hen, van de Zwitsers.

   Hij teerde meer dan veertig jaar op zijn eigen fietsgeschiedenis, zijn palmarès, zijn schelmenstreken en zijn aanstekelijke manier van vertellen.

Dat alles zat ik te bedenken toen ik afgelopen zaterdagmiddag bij toeval naar Europort keek en de koers in Romandië volgde. Geraint Thomas sloeg zesendertig meter voor de finish tegen de natte, gladde grond en de commentator van dienst noemde het een drama.

   Je hebt drama’s en drama’s en dit was geen drama, maar een stuurfout.

   Ik keek naar het klassement van de dag en concludeerde dat de etappe naar Thyon 2000 een heel leger aan Engelssprekende renners vooraan had opgeleverd. Als het waar is dat Romandië een prima voorportaal voor de Giro is, dan gaan we met die gasten nog iets beleven.

   Kijk maar: de zware etappe over 161 kilometer met vier echte cols, verreden in de plenzende regen werd gewonnen door de Canadees Michael Woods voor de Australiër O’Connor, de Brit Thomas, de Australiër Hamilton, de Italiaan Masnada en (nog) een Aussie, Porte.

foto Cor Vos ©2003

   Ik moest daardoor zondag wel naar de laatste minuten van de afsluitende tijdrit te kijken: wie zou deze aardige koers, die het nooit goed gedaan heeft in de Nederlandse pers, winnen? Woods of Thomas? Thomas dus. De Brit won de koers door derde te worden in de afsluitende tijdrit.

   Ik twijfel of beiden Ferdi Kübler zouden herkennen.

Ik denk dat als ze hem ooit meegemaakt zouden hebben in zijn cabaretachtige onemanshows, fan van hem zouden zijn geworden.

   Zulke speciale mensen kom je zelden tegen.

   Goddank.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.

foto Cor Vos ©2001


 

Leave a Reply