ROTTERDAMSE ZESDAAGSE TERUG NAAR DE OORSPRONG


Auteur: Peter Ouwerkerk

Nieuwjaar in Ahoy, tijd voor de Rotterdamse Zesdaagse. Je mag het gerust met een hoofdletter schrijven, want de vierde generatie in de showcase van de winterbaan blijkt een gezonde boreling. De moderne versie van de Six aan de Maas heeft de broze ambities elders in Nederland – met zesdaagsen in onder meer Amsterdam, Groningen, Apeldoorn, Tilburg en Maastricht – royaal overleefd.

Dat ging overigens niet meteen van een leien dakje. De eerste twee edities in de Nenijtohal (1936/1937) en de Energiehal (1968/1969) waren al verdwenen voordat het publiek er goed en wel van had geproefd.

Toen in Amsterdam het vuur na vier afleveringen gedoofd was, zochten de organisatoren hun heil in Rotterdam. Het Amsterdamse baantje van 166 meter bleek precies te passen in de Nenijtohal – erfenis van de Nederlandsche Nijverheids Tentoonstelling. Olympisch zwemster Rie Mastenbroek (3x goud, 1x brons in Berlijn) mocht op 6 november 1936 het startschot lossen; Jan Pijnenburg en Cor Wals waren de eerste winnaars. De renners maakten na de slotsprint spontaan een dansje in dancing Pschorr.

De eerste 144 uurs achter Blijdorp was een daverend succes. Zo zelfs dat er drie maanden later al een tweede Rotterdamse editie op poten werd gezet. Tinus Osendarp was dit keer de hoofdgast; de sprinter die met een Sieg Heilgroet zijn 100 meter-brons in ontvangst had genomen in Berlijn. Of die openingshandeling van invloed was op de uiterst magere publieksstroom – het was op z’n minst een opvallende keuze.

Het betekende wel meteen het einde van een kortstondig, vooroorlogs Rotterdams zesdaagse-avontuur. Het houten baantje werd opgeslagen in Assendelft, en toen de brandstofschaarste in de oorlogsjaren steeds nijpender werd, verdween het zesdaagsehout in de kleumende kachels.

Rotterdam moest tot mei 1968 op zijn derde zesdaagse wachten. Plaats van handeling was nu de Energiehal, in de huidige topografie ergens tussen Kunsthal en Erasmus MC in. Ook al een overblijfsel van een grote energiefair (E’55) in de zich gestaag van het oorlogstrauma herstellende havenstad. 

Om de interesse van het publiek te wekken, werden de twaalf koppels in wielershirts met voetbalkleuren uit de wijde omgeving gehuld: Feijenoord, Sparta, Excelsior, Xerxes/DHC Hermes DVS, SVV, Fortuna Vlaardingen, ADO, Holland Sport, DFC, NAC en Baronie. Peter Post en Patrick Sercu wonnen in een rood-wit gestreept Spartashirt.

Mocht de eerste naoorlogse zesdaagse nog tamelijk succesvol heten, in 1969 was er voor de elkaar wantrouwende organisatoren Siem Waardenburg en Charles Ruys geen droog brood meer te verdienen.

Het wachten was op de grootscheepse aanpak van Rotterdam-Zuid, vertaald in de visionaire gedachten van sportwethouder Roel Langerak die op 2 juli 1968 de eerste paal sloeg voor een gloednieuw Sportpaleis in het Zuiderpark. Het ging Ahoy’ heten en het zou volop ruimte bieden aan de baanwielersport. De 200 meterbaan was in feite de essentie van het hele gebouw. Er werd een begin gemaakt van een traditie.

Op 15 januari 1971 werd Ahoy’ officieel geopend door prins Claus. Jaap Oudkerk werd achter Bruno Walrave de winnaar van de openingskoers achter motoren. Een dag later klonk het startschot voor de eerste Ahoy’ Zesdaagse. Het bleek een schot in de roos.

Achttien jaar lang zou er sport- en amusementshistorie worden geschreven met zesdaagsen. Nadat ‘Keizer’ Peter Post in ‘Rotterdam 1972’ ernstig ten val was gekomen en zijn carrière noodgedwongen moest beëindigen, werd hij prompt tot wedstijdleider benoemd. Het ging ineens hard met de ontwikkeling van de baansport in Ahoy’, mede door het opstarten van Ahoy’ op Zondag.

Post moderniseerde de zesdaagse ingrijpend, voelde feilloos de behoefte van de tribunes aan, introduceerde flitsender en dus kortere programma’s, verrijkte het deelnemersveld met wegvedetten uit de grote wielerlanden, zorgde voor herkenbaarheid door flink wat renners uit zijn eigen TI Raleighploeg ‘betaald te laten trainen’, verraste het publiek met unieke optredens van de crème-de-la-crème van Nederlandse artiesten. Lee Towers is er groot geworden.

De impuls die Post gaf bleek de gouden formule. Een bezoek aan de Rotterdamse Zesdaagse stond garant voor een avond feest. Menige avondsessie was er geen zitplaats meer te krijgen; op de galerijen stonden ze rijen dik. Het absolute toeschouwersrecord op de Rotterdamse Zesdaagse werd genoteerd in 1976: 53.769, waarvan 15.834 vrijkaarten.

De bomen konden niet verder groeien dan die hemel. De klad kwam erin. In 1988 passeerden officieel nog 38.687 toeschouwers de kassa’s, maar het aantal vrijkaarten overtrof de betaalde kaartjes: 19.474 tegenover 19.213. De vaste wielerbaan in Ahoy’ was een sta-in-de-weg geworden, een belemmering voor andere, lucratiever programmering. In 1990 werd de permanente wielerbaan gedemonteerd. Hij werd enige tijd opgeslagen in Assen, maar verdween uiteindelijk ook in de open haard.

Rotterdam moest tot begin 21ste eeuw wachten op nieuw perspectief. Dat kwam er door de niet-versagende sentimenten in de familie Zijlaard, met vader Joop als gangmaker-in-meervoudige-betekenis en zoon Michael als jonge en gretige uitvoerder.

Rotterdam mocht zich in 2005 Sportstad van Europa noemen, en die ietwat ronkende eretitel bleek een vliegwiel voor nieuwe ideeën. De komst van het Grand Départ van de Tour de France was er daar een van, de terugkeer van de zesdaagse de kers op de taart. Een nieuwe semipermanente wielerbaan was in een handomdraai gelegd. De eerste keer kostte dat nog zeventien uur, tegenwoordig rijd je er in een ochtend op rond. De Rabobank Rotterdam had er alle fiducie in, was de eerste jaren naam gevend hoofdsponsor, en er bleek nog steeds wielerpubliek de gang naar Ahoy te willen maken.

De tijd van toen kwam weliswaar nooit terug, maar met toeschouwersaantallen van 25.000 betalenden tot 35.000 totaal is er reëel bestaansrecht. De zesdaagsen van de 21ste eeuw hebben in Rotterdam een jasje gekregen dat volledig past in de moderne tijd: acht herkenbare sportieve hoofdonderdelen, een sprinttoernooi, een Talents Cup en (mondjesmaat) vrouwen in een spetterende entourage. Geen artiesten meer, wel bonkende beats in zeeën van licht en geluid. 

De Rotterdamse Zesdaagse staat. Wereldwijd mag de kalender dan zijn teruggelopen van 27 naar 5 à 6 zesdaagsen per winter, Rotterdam is (nog) kerngezond. Maar stilstand is achteruitgang. Om verder te komen dan die gemiddeld ruim 30.000 is verdere innovatie nodig,

Als dinsdagavond 7 januari 2020 de winnaars zijn gehuldigd van de 38ste editie breekt er een volgende fase aan in de geschiedenis van de Rotterdamse Zesdaagse: de verplaatsing van januari naar eind (24-29) november. November – deprimaand volgens sommigen. Maar in de eerste weken van januari zucht iedereen nog onder de decembermoeheid.

‘Rotterdam’ schuift op de kalender voortaan aan bij Londen en Gent. De hoofdsponsor (Wooning) hoopt op een groter rendement, november past beter bij de baanfocus van de UCI op het najaar en – de belangrijkste reden, want: lang gekoesterde wens – er kan op zondagmiddag gefinisht worden, wat het evenement mogelijk aantrekkelijk maakt voor een live tv-registratie.

November is voor Rotterdam een terugkeer naar het begin: de eerste zesdaagse in de Maasstad werd in 1936 ook in november verreden. Het was het jaar dat de wielerkalender liefst 27 zesdaagsen telde; bijna wereldwijd: West-Europa, de VS, Canada en Buenos Aires. Nu zijn dat er vijf à zes. Wat niet is, keert nooit terug.

Nederland verwacht komende zomer in Tokio een karrenvracht aan olympische medailles. Als Rotterdam in het voorjaar een Eurovisie Songfestival huisvest in een overvol Ahoy, dan moet dat in november ook mogelijk zijn met een Europees Fietsfestival.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Leave a Reply