Over foto’s in een oude doos gevonden


Auteur: Mart Smeets

Als je de boog van de laatste twintig kilometer in het leven gepasseerd bent, gebeurt er iets vreemds met een mens. De interesse voor vroeger wordt licht vergroot en zo soms, op nauwelijks te duiden tijdstippen, ga je ineens in oude dozen op zolder kijken.

   Nee, er hoeft geen directe aanleiding toe te zijn, maar je hebt die bepaalde doos al een jaar of veertig meegezeuld bij vijf verhuizingen, het ding staat niet in de weg en wat er nou precies inzit, weet je ook niet meer. ‘Verhuisdoos’, staat er op de zijkant en met blijkbaar een viltstift is de laatste ‘s’ van dat woord door gekruist en is er een ‘d’ voor in de plaats gekomen. Macaber, ikzelf heb het niet gedaan, maar wie wel? Geen idee.

   Gedurende zeker drie verhuizingen is een grote, vrij zware kartonnen doos met mij meegegaan: de doos met daarin de Dinky Toys. Ik geloof een stuk of 32 van die prachtige, nooit meer geëvenaarde mooie speelgoedautootjes die ik op enig moment van mijn leven moet hebben gespaard. Je vroeg ze voor Sinterklaas of onder de kerstboom of voor je verjaardag en je zorgde goed voor dat kleine wagenpark; het toonbeeld goed burgermansgedrag in de jaren vijftig en zestig, binnen well-to-do families in Amsterdam-Zuid.

   Die doos met miniatuurauto’s ben ik kwijt; bij het oud vuil gezet, of vergeten, of weggegeven, of wat dan ook. Niet lang geleden hoorde ik van een leeftijdgenoot dat hij, ook verzamelaar van de authentieke Dinky Toys en niet van de goedkopere Match Box-autootjes, dat hij een klein kapitaal voor zijn verzameling had gekregen toen hij de hele bups, met tranen in de ogen, aanbood bij een eigenaar van een antiquariaat in het oosten van het land. De eigenaar van die zaak zat in een kring van verzamelaars van speelgoedauto’s; mannen die het noorden al een poosje kwijt waren en die na het eten direct naar hun werkkamer vertrokken om met die kleine wagentjes te gaan spelen.

   Ik vond onlangs wel een doos met foto’s en die sloegen voor enige tijd de bodem uit mijn bestaan. Ik toonde nog redelijk sociaal gedrag, maar werd, steeds weer, vaak op gekke momenten (zaterdagmiddag, soms ineens op een donderavond na elven) naar die doos toegetrokken.

   Ik moest de veelal zwart-beelden bekijken, ik moest de kleine lettertjes achterop lezen, ik moest begrijpen waarom die foto’s in die doos zaten. Ik zocht, kortom, naar mijn eigen verleden.

Er zat ook een mooi schriftje in dezelfde doos, een nauwkeurig bijgehouden verslag van de Ronde van Frankrijk van 1959, keurig met de hand geschreven en voorzien van gegevens die ik uit de kranten van die dagen haalde.

   Zo schreef ik: ‘In de Tour de France krijgt men vast geen honger. Men krijgt o.a. 15 gebraden kippen, 6 kilo vis, 4 kilo tomaten, 5 liter wijn, 6 kilo bananen, 8 kilo pruimen, 1.5 liter jam, plusminus 30 sinaasappels, 10 kilo groente, 3 liter bier, 4 liter soep, 1.5 kilo boter  en 14 citroenen.’ Ik had er vrij precieze tekeningetjes bij gemaakt om het geheel er mooi uit te laten zien.

   Bij herlezing vroeg ik me af of men in die dagen geen biefstuk at en waar waren de spreekwoordelijke stokbroden gebleven waarover vooral ‘onze jongens’ in Frankrijk die dagen nog weleens klaagden. Stokbrood, had ik ergens gelezen, stopte en dat was niet goed voor een coureur.

   Dat schrift houd ik, goed bewaard nu, bij me tot ‘het rode vod’. Daarna zal het in een erfenissendoos terechtkomen en ik weet niet of de huidige technisch directeur van de honkbalbond geïnteresseerd is in deze pre-journalistieke uitingen van zijn ouwe heer.

   Verleden week was er weer zo’n niet te verklaren moment van diep innerlijke zachtheid. Het verleden tikte weer even aan, ik schoof een stoel naast de betreffende doos en begon foto per foto te bekijken.

Hoe kwam ik aan deze dingen? Wie had mij, in de jaren vijftig, deze prachtige ansichtkaarten gegeven? Mijn vader? Dat moest haast wel.

Maar ik had ineens ook een kleurenfoto uit de jaren negentig in handen.

   Ik zag mezelf gefotografeerd met een wielrenner die bijna even groot was al ikzelf en dat was opvallend. Die renner droeg een shirt van Banesto en ik hield de man een microfoon met rode plopkap voor de mond.

   Natuurlijk herkende ik de renner: hij was de man die nooit wat zei, hij was de sfinx in het grote peloton, hij was de man die geen langere interviews wilde geven omdat hij met woorden nooit duidelijk wist te maken wat hij met zijn hoofd en benen allemaal gedaan had.

   De foto was genomen bij de start van de Amstel Gold race en ik stond tegenover Miguel Indurain. Dat gebeurde toen om het kijkersvolk op een groot plein in Heerlen een beetje te vermaken.

Herman Krott, de koersdirecteur, had me gevraagd of ik hem een beetje wilde helpen. Of ik het niet leuk vond om, als ik er toch was voor de NOS (en dat was ik, jarenlang) zo links en rechts wat bekende renners staande te houden en hen wat min of meer relevante, maar ook graag diverse en speelse vragen te stellen.

   ‘Je wilt mij in de rol van hofnar?’ vroeg ik Krott en hij lachte. ‘Zoiets ja, dat heb je goed begrepen.’ Het publiek moest vermaakt worden, nietwaar?

   Dus was ik bij deze uitgave tegen Big Mic aangelopen, had hem staande gehouden en was in het (ingestudeerde) Spaans begonnen.

Waarom weet ik niet, maar hij nam de tijd voor me en schoot in razend tempo zijn Spaans op me terug. Ik gaf maar een slinger aan de vertaling en de mensen klapten en lachten.

   Ik geloof ook dat die dag de eerste maal was dat wielerliefhebbers in Nederland de grote Spaanse kampioen live zagen en hoorden praten. En niet in die afgemeten, nietszeggende ‘creo que no, penso que si’ antwoorden, neen, in volwassen, lange zinnen, waar zeker de helft van de betekenis me ontging.

   Ik denk dat die foto in de doos is gekomen omdat het zo speciaal was dat de Spanjaard überhaupt iets zei, voorafgaand aan de koers. Ik zie een totaal ontspannen Indurain, die met een vriendelijke trek op zijn gezicht tegenover me staat.

   Ben ik me er daar van bewust tegenover een fenomeen te staan? Tegenover een man die nooit aan de inquisitie van dopingzoekers ten onder is gegaan? Een man die steevast ieder gesprek in die richting ontweek en ontkende door niets te zeggen. Door fabelachtig mooi te zwijgen in werkelijk alle talen en zeker in het Spaans.

   Het is een fotootje van 18×14 centimeter, slecht gekadreerd, maar o zo uniek en eigenlijk eervol. Ja, eervol, want die man sprak niet met anderen dan mede-coureurs over de koers en daar staat hij mooi tegenover me op een zaterdagochtend in Limburg. Al pratend.   Waarom hij dat op die ochtend ineens wel deed?

   Waar het toen overging?

   Al sla je me dood.

   Over wat hij van de Amstel dacht of vond. Denk ik dan maar.

   Nadat ik de foto teruggelegd had, kwam een kwartet zwart-witte foto’s naar boven. Een ansichtkaart uit 1953 van de Locomotief rijwielenploeg die het ploegenklassement in de Tour van dat jaar gewonnen had.

   Ik denk dat deze kaart/foto een mooi stuk in iedere verzameling van sportmemorabilia zal zijn. Op achterkant van de foto staan de namen van de renners, de ploegleider en de baas van de fietsenfabriek: Pellenaars, Nolten, G. Voorting, A. Voorting, J. Jansen, W. Wagtmans, v. Est, J.H. Slesker (directeur Locomotief), Suykerbuyk, v. Breenen, Stevens, Roks.

   Ook staat er: ‘LOCOMOTIEF loopt altijd lichter! Rijwielen voor sport, toerisme en dagelijks gebruik.’

   Kijk, zulke kleine briljantjes maken een mens blij. Ik heb een ansichtkaart van 66 jaar in mijn hand en kijk naar de gebruinde renners van toen.

   Ik weet nog dat mijn vader me ooit vertelde dat die renners in (het toen nog grote) Olympisch Stadion van Amsterdam op maandagavond ontvangen werden en voor een dolenthousiast publiek, wel veertigduizend mensen, werden toegeklapt en toegezongen.

   Zo’n avond was een hoogtepunt in de sportbeleving van die tijd, vertelde mijn ouweheer, die erbij geweest was.

   Kom daar nu nog eens om. O ja, Boxmeer, dat was ik even vergeten. Niets huldigen. Poen pakken. Kantelend tijdperk dus.

Onder de ploeg van 1953 pak ik, heel voorzichtig, een kaart op van een renner die ik gekend heb. Hij is al jaren dood en dan pak je zo’n foto even anders aan, met iets meer respect, denk ik.

   Ik kijk naar een renner in een shirt van Pontiac. Onder dat in de wielerwereld fameuze woord staat op zijn truitje ‘Juiste tijd’. De renner draagt een wielerpetje met de klep recht omhoog. De naam Pontiac draagt twee sterren naast zich, een aan elke kant.

   De renner heeft zijn linkerarm gekromd zodat wij, toeschouwers, goed kunnen zien dat hij een horloge draagt. Om de ringvinger van de rechterhand draagt de man een ring die geen trouwring is.

   In witte letters staat onderaan de foto: ‘DEGROOT DAAN’ en daaronder ‘reclamedienst der Pontiac horloges’.

   Juist, Daan de Groot. Iedere Nederlander hoort dan direct en met krachtige stem te zeggen: Albi. Jawel: Albi. Nogmaals: Albi.

Daar won de Amsterdammer zijn onwaarschijnlijk mooie etappe in de Tour.

   Jan Cottaar (ja, die dus) moet de auteur zijn geweest van de vertelling rond die etappezege. Op een snikhete dag was De Groot alleen uit het peloton weggereden nadat hij eerder in de etappe gelost was. Daar begint het verhaal: bij de koolbladen die hij onder zijn pet stopte om de brandende zon in zijn nek en op zijn hoofd te weren. De anderen dachten: laat die gek maar gaan. Op enig moment vroeg De Groot aan een hem begeleidende politieagent op de motor hoe groot zijn voorsprong was.

   In welke taal hij dat deed, ligt in het verleden bestorven, want De Groot sprak voortreffelijk Amsterdams en verder niets. De agent moet geroepen hebben ‘treize minutes’ en De Groot moet verstaan hebben ‘trois minutes’ en voila, daar ligt de basis voor een monsterzege van een Hollander die niemand kende: Daan de Groot, die met meer dan twintig minuten voorsprong in de bakoven van Albi arriveerde, wist nog net dat ‘trois’ drie was en had besloten nog maar een trapje extra te geven.

   Soms ligt de verklaring van buitengewone zaken in een volkomen onbekend hoekje. De Groot won later nooit meer op deze wijze. Hij was een tamelijk lange, robuuste kerel, die niet zo gediend was van de strapatsen van wielerploegleider Kees Pellenaars.

   Hij voelde zich thuis in zijn eigen Amsterdam en had lak aan die kwebbelende ploegleider uit Brabant. ‘Als hij me niet wil opstellen, blijf ik toch lekker thuis,’ zei De Groot en ook die woorden moet hij werkelijk uitgesproken hebben, want mijn vader vertelde ze mij letterlijk. Het was een der beroemde wielerverhalen van toen.

   Nu komt het. Waarom pak ik de foto van Daan de Groot zo voorzichtig vast? Juist: de man is dood. Al lang, want (ik zoek het op), hij stierf op 8 januari 1982.

   In die dagen ging het verhaal in de sportjournalistieke wereld dat de ex-renner zichzelf van het leven had beroofd, iets dat pas jaren later, mondjesmaat, door insiders werd bevestigd.

   De Groot, die in het jaar van zijn onwaarschijnlijke etappewinst ook nog 10e bij het WK op de weg werd, was een ingezakte, nauwelijks nog vrolijk te krijgen man geworden die het verlies van zijn vrouw niet aan kon. Zij  was jaren voor hem overleden.

   Ik wist dat omdat ik weleens bij hem in zijn Amsterdamse taxi zat. Dan kletsten we van Centraal Station tot Amsterdam-Zuid (Stadionweg, Courbetstraat) over de koers en over het leven. Het harde leven vooral.

   Zo vertelde hij dat het leven alleen (hij woonde, meen ik in een flatje in Amstelveen) maar beroerd was. Hij miste haar zo verschrikkelijk. Die lange avonden alleen. Dan maar toch weer de taxi in, op zoek naar aanspraak.

   Nee, vakantie? Waarom? Met haar deed hij het wel, maar wat moest hij dan alleen ergens in het buitenland of in Zandvoort gaan doen?

Alleen was maar alleen. Ja, hij dronk weleens een bakkie met collega’s, maar die hadden allemaal een echtgenote thuis. Hij niet. Dus bleef hij maar in die auto zitten.

   Op het laatst, zo hoorde ik later, was zelfdoding zijn oplossing tegen die gemene eenzaamheid. Zelfdoding met rafeltjes, ook dat nog. Een touw om de nek, zei men.

   Daan de Groot was dood en ik trok het me toen aan en nu nog steeds.

   Nu zat ik naast een muf ruikende verhuisdoos en had ik zijn foto opgepakt.

   At random, so to speak.

   Ik keek naar het gezicht van de renner. Hij had een beloftevolle, leuke glimlach rond zijn kaken en zag er patent uit. Herman Krott vertelde me ooit dat De Groot in zijn jonge jaren een knappe vent was geweest. De vrouwen vonden hem een kanjer. Vooral in Amsterdam.

En Herman zei ook: ‘Wat jammer dat hij niet tegen de grote stilte kon.’

   Ik heb nu een uur of drie naast de verhuisdoos gezeten en een triest makend, loom gevoel maakt zich van me meester. Als hij me thuis afgezet had vroeg ik altijd een bonnetje en zei daarbij: ‘Plus een piek voor jou.’

   Er waren ook momenten dat hij me aan de stoep uitliet en dat hij dan zei: ‘Ach, Mart laat maar zitten, wat heb een mens nou aan die rotcenten? We hebben toch lekker zitten lullen, dat is me veel meer waard.’

   Ik deed de doos dicht en liep zwaar naar de keukentafel. Het was al nacht. Ik zei tegen mezelf: ‘Dit soort exercities moet je niet te vaak doen vader, ze maken je sentimenteel en breekbaar, verdomme.’


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Leave a Reply