NIETS STAAT NOG VAST


MUR DE FRANCE


Door: Peter Ouwerkerk

We stonden aan het barretje van een klein dorpscafé in de Pyreneeën, bestelden een tweede Kronenbourg en zetten nog maar eens een boom op over de Tour die we volgden. De (aanzienlijk) oudere, Belgische  wielercollega sprak met een stelligheid en dictie, die mij sprakeloos maakten.

Dus hij durfde beweren dat Eddy Merckx deze Tour zou winnen, het groen zou pakken en dat in Parijs ook de bergtrui op hem lag te wachten? Over het ploegenklassement trouwens evenmin twijfel: Molteni, Merckx dus. De Brusselse ancien had voor alle vier klassementen steekhoudende argumenten.

‘Schrijf maar op,’ zei hij, ‘dan kun je je verhalen alvast een beetje richting geven.’

‘Eh…’

Ik was journalistiek in het wielrennen gerold nadat de vaste wielerverslaggever van mijn krant, Het Vrije Volk, een te lange nazit had gebreid aan een wedstrijd van Blauw Wit in het Olympisch Stadion. Bij terugkeer op de krant had hij Blauw Wit laten winnen in plaats verliezen.

Die versie had de krant net niet gehaald, er was tijdig ingegrepen, maar het was niet de eerste keer dat Ger ietwat slordig met de feiten was omgesprongen. Hij vond het ergens al gauw té gezellig. Alleen: de krant wacht nooit. Voor straf mocht hij dat jaar niet naar de Tour. Er werd naar mij gewezen; pak je koffers maar. Ja, voor Frankrijk. Het was 1971.

Het gesprek aan de toog had plaats op de derde dag van een zomerverslaving die 35 jaar zou duren. De maand juli betekende voor mij: drie-en-een-halve week Tour. Met nog altijd uitlopers in de 21ste eeuw. Je zult maar zo’n man en vader hebben… Sorry, meiden.

Het ongeloof droop van mijn gezicht. ‘Nog geen week onderweg, en nu al staan de klassementen vást? Wat doen we hier dan nog!?’

De collega bekeek me geamuseerd; de winnaar van de Grand Prix Onnozelheid was bij deze bekend.

Hij laste een lesje wielerkennis voor me in: ‘Eén: Merckx heeft het meeste talent. Twee: Merckx is de beste atleet. Drie: Merckx is de grootste wielrenner. Merckx heeft het beste materiaal, de beste soigneurs, de beste ploegleider, de beste knechten, de beste trainers, de beste medicamenten, de dikste portemonnee.’

Het duizelde me. Dus de Tour was een wedstrijd van ongelijke kansen. Ja, toen wel. Werkelijk niemand kon aan Merckx’ knieën reiken.

De mooiste Tours zijn de Tours waarin ook aan het begin van de slotweek nog niets vaststaat. 1968: Jan Janssen klopt in de afsluitende tijdrit Herman van Springel – 38 seconden. 1989: Laurent Fignon verliest in de tijdrit naar de Champs-Élysées van Greg LeMond – 8 seconden.

Jan Janssen Tour de France 1968 // foto: Cor Vos

Zo’n Tour als deze dus.

Wie op de tweede rustdag van deze 107e Tour de tussenstanden wilde analyseren, kwam linksom of rechtsom telkens weer tot de conclusie dat nog voor alle klassementen van deze Tour de Corona verrassende scenario’s waren te schrijven.

Het geel naar Primoz Rogic? Deze Sloveen heeft veruit de beste ploeg, maar is pas zeker van zijn zaak wanneer uitdager Tadej Pogacar als verliezer van zijn tijdritfiets stapt op La Planche des Belles Filles.

Het groen voor Sam Bennett? De Ier krijgt het mogelijk al té lastig in de eerste van drie bergetappes die nog resten. Als hij (ongeschonden) Parijs haalt, is dat een wonder. Schakel Peter Sagan nooit uit voor hij eronder ligt.

De bergtrui nóg een week naar Benoît Cosnefroy? Er zijn nog wel zes andere (en betere) kandidaten. Er kan zomaar een Pierre Rolland, Guillaume Martin of Mikel Landa opstaan nu ze kansloos zijn voor een mooi eindklassement.

Het ploegenklassement? Normaal vooral interessant voor Movistar, maar Jumbo-Visma ligt op de loer. En wat betreft het jongerenklassement: als Pogacar deze Tour wint is hij ook de beste jongere.

Kortom: wat staat er vast? Nog niks staat er vast. Alles kan door één zwak moment, één rare manoeuvre of één gevalletje-Covid nog zomaar ingrijpend veranderen.

Fijne voortzetting van deze bijzondere Tour.


Jan Janssen Tour de France 1968 // foto Cor Vos


Leave a Reply