HET IS DE GIRO MAAR


Auteur: Mart Smeets

In die dagen was het bezoeken van de Giro een tamelijk vreemd uitstapje voor de Nederlandse sportjournalistiek. Roy Schuiten had ons, van de NOS, al eens snerend aangesproken: ‘Ze fietsen ook leuke wedstrijden in Italië, hoor.’ Hij reed toen voor Scic en was als wereldkampioen achtervolgen een vreemde eend in de Italiaanse bijt.

   Roy, God hebbe zijn ziel, reed bepaald geen groot programma, maar moest van zijn bazen wel opstappen om de kopman in de Giro uit de wind te houden.

   En als er maar geen schot in een etappe kwam, kreeg hij de opdracht een uurtje op kop te gaan boren. Dat deed hij goed en vol overtuiging. Ik herinner me een etappe dat hij solo een man of veertig à vijftig overboord had gekregen door een vernietigend tempo aan te houden, nooit om te kijken en gewoon door te rijden totdat hij een teken kreeg dat het zo wel goed was. Dan loste hij lachend: werk gedaan.

   Roy was ook degene die ons attent maakte op de Italiaanse keuken waar hij een grootgebruiker was, maar ook avonturier, want vele van die typisch Italiaanse gerechten kenden wij in Holland (nog) niet en leerden hij en wij dus daar.

   Dat bracht ooit Gerrit Voorting, die dik twintig jaar eerder in de Giro reed en er nog de roze trui droeg, ertoe te stellen dat de Giro de enige sportwedstrijd ter wereld was waar deelnemers zwaarder uit terugkwamen dan dat ze eraan waren begonnen.

   Roy ging niet zo ver, maar waarschuwde ons wel: ‘Het is allemaal lekker, het is allemaal veel, het zijn deegwaren die wij niet kennen en qua saus en ragout kunnen ze er hier wat van.’

   Hij was overigens ook de man die ons attent maakte op cappuccino. ‘Hoe lekker het ook is, drink het alleen in de ochtend en neem één uur zo’n beetje als grens; daarna dus niet meer. Italianen voelen zich geschoffeerd als je het toch bestelt.’

   Een andere ex-coureur, de Vlaming Edgard Sorgeloos, leerde me dat alles in de Giro op z’n gemak gedaan werd, behalve de dagelijkse finales van de koers. De patrons van het peloton bepaalden het karakter van de wedstrijd, de gregario’s moesten werken en wee je gebeente als je het decor omver reed: daar hielden de Italiaanse vedetten niet van.

   Ooit, in een heuvelachtige etappe met een vlakke finish die waarschijnlijk uit zou draaien op een massasprint, had Rik van Looy zijn eerste luitenant op kop gezet met het bevel: tempo maken. Dat was tegen de wil van de Italianen en voordat hij het wist was Sorgeloos ingesloten door vijf of zeven grote knechten van de Italiaanse topteams. Die mannen probeerden het eerst met woorden, maar daar luisterde de kleine Vlaming niet naar. Hij verstond ze overigens ook niet, maar dat terzijde.

   Vervolgens werd hij als het waren ingesloten en remden de boeven voor en naast hem. En als hij helemaal niet luisterde, was daar altijd nog ‘de pomp’.

   De pomp? Sorgeloos: ‘Ja, de pomp. Als je niet luisterde kreeg je van de brutaalste knechten gewoon klappen met de pomp in je nek. Nou, dan ging je rap wat trager rijden. Zo waren de wetten in de jaren vijftig en zestig. De eerste wet was: je luisterde naar de patrons van het peloton. Soms ging dat weleens mis. Zo heeft de Zwitser Clerici de Giro gewonnen. Ik was erbij, hij glipte door het net en kwam door toeval in een klein groepje uit. Tot de laatste dag bleef hij aan de leiding omdat de bazen zaten te slapen en de organisatie geen enkele mededeling over die Zwitser had doorgegeven. Ik meen dat hij die dag een half uur voorsprong kreeg en ook behield.’

   

Tijdens de gulden roze dagen van Erik Breukink werd er door de NOS weleens uitgerukt richting Italië. Nee, niet voor de gehele Giro, want zoiets was onmogelijk in Hilversum. We gingen pas als er succes te melden was. Je was dus altijd een tot twee dagen te laat, maar zo waren destijds de mores van de wielerjournalistiek.

   Het waren overigens ook de jaren dat je regelmatig twee Nederlandse confraters tegenkwam: Paul Feld en Ludo van Klooster, jongens die én Italiaans spraken én die een tic hadden voor de koers in de laars. Hun enthousiasme (ze probeerden artikelen te slijten aan dag- en weekbladen, hetgeen maar mondjesmaat lukte) raakte me toen en ik probeerde die sfeer door te laten sijpelen binnen onze redactie. Jammer dus. Italië was zo ver en wat hadden we daar nou toch te zoeken?

   Voor Van Klooster, de ultieme doorzetter, bleef er dan wel een piepklein contractje bij de NOS over: informatie uit de koers, per telefoon doorgespeeld, verwerkt en versnipperd in Hilversum of elders bij kranten.

   Totdat Breukink de ideale schoonzoon zich in 1988 het roze hulde en we gedenkwaardige etappes te verslaan kregen. Totdat we de nu nog steeds heroïsche beelden van Johan van der velde en de Breuk in de sneeuw op onze thuisbuis kregen; totdat de manager van de Postploeg, oud-renner Fred DeBruyne, de vertalingen deed met Italiaanse coureurs: toen kwam er ineens ruimte voor de Giro in het land van de Tulipani.

   Jarenlang hebben ze daar in Italië nauwelijks een Hollandse volger gezien. Voor de complete Nederlandse sportpers was de Giro veel te ver weg, in een verkeerde maand ook met veel beslissende voetbalwedstrijden op de thuisbuis en met onwil van de omroepclubs in Hilversum om ruimte maken voor het Italiaanse, ondergeschoven broertje van de Tour de France.

   Dat laatste geldt nu nog steeds.

   Ik maak een grote sprong, naar 2009. Lance Armstrong, die nog steeds, ook in mijn microfoon, hardop en zonder omwegen zei nog nooit iets verbodens te hebben genomen, keerde terug in het peloton voor zijn beroemde doorstart.

   Hij bouwde een heel circus rond hem en zijn ploeg op: in een gondel in Venetië liet hij zich uitgebreid filmen en praatte hij zichzelf uit welke favorietenrol dan ook.

   Neen, we moesten gaan letten op Leipheimer of Di Luca of Pellizotti, de nieuwe veldheren. Wreed toeval: dat werden later allemaal bekenners, die hadden gelogen en bedrogen.

   Hij, Armstrong, was er alleen maar om weer te wennen aan het koersen in een peloton. Hoe het was urenlang schouder aan schouder te rijden, hoe het was drie weken achtereen te koersen. In de later verreden Tour werd hij, schoon, zoals hij altijd beweerd heeft, fraai derde.

   In de een-na-laatste Giro-etappe, van Napels naar Anagni, was de aankomst er eentje van typisch Italiaanse snit. Stoffige wegen, veel publiek dat met vlaggen en spandoeken uitgerust rondwandelde in de finishplaats. Van wegafzetting was nauwelijks sprake, de wegen liepen vol met tifosi en gekken en daar kwamen de renners aan. Philippe Gilbert won en na het passeren van de kopgroep ging veel publiek de weg op. Dat er nog renners moesten arriveren, deerde hen niet; dit was een leuk zaterdagmiddaguitstapje en ze konden apies kijken bij de renners die traag bovenkwamen op de heuvel of moesten inhouden voor ploegleiderswagens die niet meer vooruit of achteruit konden. Een enorme chaos dus op de weg, vloekende en tierende renners, drie politiemensen die graag met Gilbert op de foto wilden en verder niets deden. Heerlijke, onversneden Italiaanse chaos.

   Ik stond met cameraman Peter Bakker achter de finishlijn. Bakker, die alles zag, had opgemerkt dat Armstrong nog niet binnen was en stond attent in de massa op de weg te kijken.

   En ja, daar kwam een pelotonnetje aan en Armstrong, met een zwart gezicht van de stof, eindigde, volstrekt naamloos en vrijwel onopgemerkt voor het publiek in dat groepje.

   Mensen gingen niet opzij, maar fotografen schoten toe en ineens zag Armstrong Bakker en mij staan en herkende ons ook. Uit de onderkant van zijn ziel gooide hij vervolgens de woorden: ‘What a fucking whorehouse this is!’ uit.

   Ik belde Hilversum en zei dat we LA prachtig kwaad in beeld hadden. Het antwoord was snel gegeven: ‘Laat maar, we hebben geen ruimte vandaag, veel voetbal, morgen doen we de tijdrit al live en daar zullen jullie het mee moeten doen. Veel plezier.’

   Van de laatste etappe in Rome herinner ik me nog de schuiver die winnaar Denis Menchov maakte en ook dat we ’s avonds rond negenen in een restaurant aanwezig waren waar de Rabobankleiding een winnaarsdiner aan de ploeg aanbood.

   Daar zat een vermoeide, bleke, zwijgende Menchov voortdurend op zijn telefoon te kijken naar berichten die binnenkwamen. De anderen aan tafel dronken, lachten en hadden plezier. Iemand speechte en Menchov stond ook nog even op en liet het hiep-hiep-hoera over zich heen komen als een vrij koude douche. Hij ging snel weer zitten, deelde soms wat woorden met zijn vrouw en een andere Russische renner wiens naam ik vergeten ben, en keek nors, argwanend, sip, streng, zuur en onrustig in onze richting.

   Mochten we zijn gemoedstoestand niet filmen?

   Wat gebeurde daar op die telefoon?

   Wat voor soort berichten kwamen daar binnen?

   Ploegleider/chef Erik Breukink verzocht ons na een half uur te vertrekken en de mannen ‘rust en privacy’ te laten. Wij, eerzame volgers en zeker geen sensatiezoekers, gehoorzaamden en gingen elders eten.

   Beelden van Menchov van die avond zijn het waard om nog eens heel goed te bekijken. Als het bandje tenminste niet weggegooid is.

Het was immers maar de Giro.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.

LINK NAAR NOS FILM

Leave a Reply