EEN OCHTEND MET LANCE, ROTTERDAM, 2 JULI 2010


Auteur: Mart Smeets

Ineens kwam het appje langs. Ik las het snel; ik kende de afzender niet. Dat overkomt me trouwens meer. De tekst: ‘Dag Mart, wellicht wat ongebruikelijk om een WhatsApp te sturen, maar vandaag is het precies tien jaar geleden (een dag voor de Grand Départ in Rotterdam) dat u ervoor gezorgd hebt dat ik Lance mocht ontmoeten. Tot op de dag van vandaag ben ik daar nog steeds erg dankbaar voor, omdat het veel kracht heeft gegeven. Het gaat met mijn gezondheid erg goed. Bij deze dus nogmaals bedankt voor wat u destijds heeft gedaan. Groet, Martijn.’

   Ik leun terug in mijn stoel en denk: jezus te paard, is dat al tien jaar geleden?

   Op een vrijdagmorgen was het, in Rotterdam. Een dag voor de start van de Tour in Rotterdam, ik kan me er heel veel van herinneren.

Ja, als de dag van gister, ik sluit mijn ogen, zie gezichten en hoor stemmen.

   Lance Armstrong was nog niet tot een internationaal bekende boef gedegradeerd, maar had al wel een legertje aan kritische volgers achter zich aan waar mensen bijzaten die hem niet of nauwelijks nog vertrouwden. Ikzelf was bezig met een boek over de Amerikaanse renner. De eerste zin van dat boek luidde: ‘Heeft hij het gedaan of niet?’

   Ja, ook wij van de NOS probeerden erachter te komen of hij de boel besodemieterde, maar sluitend bewijs was niet te vinden; het leek haast wel alsof hij vrolijk en vrij langs alle aantijgingen danste en nu, in zijn Armstrong 3.0-leven was hij helemaal niet te pakken.

   Ik was teruggekomen uit Zwitserland waar we een tamelijk lang en ook wel weer goed interview hadden opgenomen. Door stug vol te houden en zijn public relation-manager Philippe Maertens bij voortduring te blijven bestoken, was ik, na afloop van een niet erg boeiende etappe in de Ronde van Zwitserland, op een regenachtige avond bij hem in het hotel in Bern terecht gekomen in de wetenschap dat hij die avond, na het eten, tijd voor me zou vrijmaken.

   Cameraman Frits Schrijvers, geluidsman Peter van der Berg en ik hadden snel zitten eten in het Radisson en het wachten was op Zijne Koninklijke Hoogheid. Zou hij snel komen, zou hij ons te woord staan? Zou hij een beetje goed geluimd zijn?

   Ik had geen idee. Het was een koude, natte dag geweest en meestentijds had hij dan de kolere in. Net als wij.

   Hij kwam even langs en er gebeurde iets vreemds. Hij groette, ik stelde de jongens voor, hij gaf een hand en ontdooide wat en vroeg mij toen een goede wijn voor hem uit te zoeken in het restaurant van het hotel. Hij ging nog naar zijn kamer en zou later weer terugkomen, om te eten, de door mij gekozen wijn te drinken en dan, als hij klaar was met een kort gesprek met ‘some asshole from the Swiss press’ zouden wij toegang tot zijn kamer krijgen en ons ding kunnen doen.

   Ik koos zijn wijn, een Merlot aan de prijzige kant, die hij later snel keurde en met een hoofdknik in zijn leven van die avond toeliet.

   Ik had al eerder geleerd dat het niet makkelijk was Lance Armstrong te zijn. Dat het begrip ‘tijd’ zijn grote tegenstander in de avonduren van etappekoersen was en dat ik blij moest zijn met tien minuten of hooguit een kwartier.

   Hij kwam van tafel en vroeg: ‘Hé Mart, stuur jij weleens brieven van kankerpatiënten naar mijn zakelijk adres in Austin?’

   Ik bevestigde dat en we schoven achter hem de lift in.

   Hij keek me aan met tenminste een loensend oog, bij hem een teken van  vermoeidheid.

   Well thank you fucker, the wine was o.k.,’ luidde zijn eerste zin.

In de gang naar zijn kamer vroeg hij hoe lang ik dacht nodig te hebben en ik wist dat ik moest bluffen: ‘Say twenty minutes.

   Hij lachte: ‘No fucking way. Ten, that’s all. I wanna sleep.

   Ik blufte door: ‘At least fifteen, I did not come tot this bloody hotel in Switserland to get a handful of shitty minutes.

   Hij knikte en zweeg, liep door, opende zijn kamerdeur, liep het toilet in en ging klaterend staan plassen: ‘Make yourself comfortable,’ riep hij.

   Voordat hij in een ongemakkelijke hotelstoel zat, vroeg hij of ik ook de bedenker was van het laatste pakket aan brieven dat hij in Austin ontvangen had. Ik zei dat hij waarschijnlijk ook benaderd was door het Rotterdamse ziekenhuis en hij gromde terug: ‘Well thanks man,’ en liet het verder zo.

   Voordat we begonnen en Frits verder de leiding overnam, zei hij iets van ‘Ik kreeg een pak brieven van mensen die allemaal zeiden jou te kennen en dat ze hoopten dat ik een meet & greet in Rotterdam zou doen en dat jij hen had aanbevolen persoonlijke brieven te schrijven.’

   Ik zei hem dat ik dat inderdaad gedaan had en hij boerde hard en hoorbaar: ‘Sorry guys,’ plakte hij achter de boer aan en keek in de lens: ‘How do I look.’

   Like a million dollar, man,’ zei ik.

   Twenty minutes is o.k. You just fucking start now,’ zei hij. Het ‘now’ klonk als een dreigement.

   Het gesprek verliep vlot, zoals bijna altijd. Over kilometers maken, over het slechte weer, over zijn tegenstanders, over de opdringerige pers in Europa, over het feit dat ‘ze’ altijd weer over doping begonnen, over zijn vorm van nu (‘Shitty,’ luidde zijn antwoord).

   Na vijf minuten zakte hij in zijn comfort-zone en begon met langere antwoorden. Zo wilde ik het graag hebben en toen na een kwartier Philippe binnenkwam en mij vanuit de deuropening duidelijk maakte dat ik direct moest gaan afronden (hij wees tot driemaal toe op zijn horloge), gebeurde er iets opmerkelijks. ‘No, Philippe, it’s o.k. my man. I am fine, we’ll finish this and I meet you in your room man, no sweat.

   Maertens keek me aan met iets van ‘hoe heb je dat voor elkaar gekregen?’ en verliet de kamer.

   Ik rondde af, hij maakte de microfoon los van zijn T-shirt en hij vroeg direct: ‘How many people for Rotterdam?’

   ‘I think four maybe six, serious problem-patients, all Dutch.’

   Hij stond op en knikte me toe: ‘Organiseer jij dat en laat het me binnen twee dagen weten. Vrijdagohtend, rond elf uur, in het ziekenhuis dat je noemde. I can’t pronounce the fucking name, Daniel something.

   ‘Daniel den Hoed Kliniek.’

   That’s it.

   We liepen de lift in en ik vroeg nog: ‘Past het in je programma?’

   Hij lachte: ‘No, off course not.…but I’ll make it fit.’

   In de lobby gaven we handen, hij liep weg. ‘Stuur me over twee dagen een boodschap en zeg het tegen Philippe, oké?’ Hij sloeg de hoek om, een andere gang in.’

   ‘Ik vind dat we er nu maar eentje moeten gaan drinken,’ zei Frits, ‘Jezus wat een man.’

   Tegenover wie hadden we nu gezeten?

   De wereldsportheld, de zevenvoudige Tourwinnaar, de man die terugkwam en een jaar eerder derde was geworden in de Tour? Of was dit een echte Dr. Jekyll & Mr. Hyde-opvoering geweest? Was hij de meedogenloze winnaar en veelvraat die weer eens in de huid van het zachte mens Armstrong gekropen was?

   Het had er (weer) alle schijn van.

   We kwamen er (weer) achter dat hij meerdere gezichten had en dat wij vanavond de aardige, de zorgzame Lance hadden gezien en gesproken.

   ‘Denk je dat hij toestemt?’ vroeg Frits en ik knikte: ‘Yep, hij heeft de bal nu voor mij neergelegd. Is hij er een paar dagen vanaf. Hij weet dat ik in Rotterdam een thuiswedstrijd speel. Wel slim van hem bekeken.’

   ‘Maar komt hij zijn woord na?’

   Ik knikte en wij liepen het hotel uit. ‘Dat is het maffe, hij is tegenover mij altijd zijn woord nagekomen.’

   ‘Hoe lang ga je hier van maken?’ vroeg Frits.

   Ik haalde mijn schouders op. Frits: ‘Ik heb shots dat ik vlak onder hem zit als hij aan het inrijden is. Hij herkende me, sprak wat aardige zinnen en werkte met alles mee. Fantastische beelden.’

   Peter, wiens koppie wit weggetrokken: ‘Jezus, wat een man. Ik wist wel wie hij was, maar toch ook niet. Praat jij altijd zo tegen hem?’

   Ik knikte. ‘Dat vindt hij een uitdaging en dat is er door de jaren heen ingeslopen. Je moet hem uitdagen. Vergeet niet dat ik hem al in 1993 voor het eerst in Austin bezocht en interviewde.’

   Peter: ‘Ik vond hem reuze aardig.’

   Frits en ik knikten: ‘Dat was hij ook. Hij heeft meerdere gezichten. Ik heb geleerd dat als erover zijn kankerstichting wordt gepraat hij een soort van milde stemming rond zich creëert. Hij kent zijn rol en door de jaren heen heeft hij die van mij leren kennen..’

   Peter: ‘Zijn jullie vrienden?’

   Ik schudde mijn hoofd. ‘Neen, maar ik durf wel dit soort woordgevechten aan te gaan met een van de meest gewantrouwde topsporters van deze wereld.’

   Frits: ‘Maar hij kletst wel een half uur met je en hij gaat straks in Rotterdam die patiënten opzoeken, dat betekent toch wat.’

   ‘Ik raakte hem in zijn zachte kant. Sinds zijn kankerstichting zo’n groot succes is, heeft hij van die momenten en hij kiest ze allemaal zelf uit, niet ik. Ik weet niet of hij het uit berekening doet, maar hij zal het, voor zover ik hem een beetje ken, wel gaan doen. Dan zien de mensen in Rotterdam daar de wereldberoemde Tourwinnaar die op zijn retour is, maar die zich geheel op de wereld van de kankerpatiënten heeft gestort. Een man die in eigen land op handen wordt gedragen, presidenten, multimiljonairs, filmsterren, al dat spul draait om hem heen en hij gaat er gewoon voor, iedere keer weer. Dat verbaast mij ook.’

Vrijdagochtend, Rotterdam. De fantastische Wim Waninge van het ziekenhuis had de boel steengoed georganiseerd. Ik had Jeroen Stekelenburg gevraagd om het ‘NOS-stukje’ te maken, want ik vond dat ik dat niet zelf kon doen.

   Ik zag de auto van Armstrongs ploeg aankomen, liep snel naar de parkeerplaats en sprak hem kort en snel bij. Over de familieleden die keurig opgelijnd binnen stonden, een peloton aan artsen en verplegend personeel en daarnaast dan weer de patiënten, die hij, zo had hij afgesproken met het ziekenhuis, in een aparte ruimte zou ontmoeten, zonder pers, zonder ouders of familieleden en waar hij op zijn gemak, met de patiënten kon kletsen.

   Wat er vervolgens gebeurde staat nog altijd duidelijk op mijn netvlies. Ik liep een meter of tien achter hem aan toen hij door een haag van medisch personeel het gebouw binnenliep. Er werd niet echt hard geapplaudisseerd, maar wel hoorbaar. Hij lachte naar links en knikte naar rechts en iets zei me dat ook hij, gehard in dit soort situaties, nu even uit het lood geslagen was. Er stond, God betere het, een erehaag van tientallen mensen voor hem klaar, voor hem, de meest besproken wielrenner ter wereld, de man die terugkwam en de man die waar hij ook kwam aan het begrip doping werd gekoppeld.

   De mensen die hier stonden hadden dat, zo vermoedde ik maar, niet voor ogen toen ze hun blijheid en appreciatie aan hem toonden. Voor alle mensen in de grote ruimte was hij een soort van heilige.

   Tien jaar later weten we meer, maar op die vrijdagochtend in Rotterdam, leek het haast wel alsof hij over water kon lopen, misschien zelfs wel fietsen.

   Er werden wat welkomstwoorden gesproken, hij kwam met een bijna humoristisch antwoord, zette mij even op mijn nummer (gelach) en ik wachtte af wie nu het voortouw zou nemen. Heel even deed niemand wat in de ruimte.

   Het leek er inderdaad op alsof Onze Lieve Heer zelf binnen gekomen was, zei ik zacht tegen Jeroen naast me. ‘Christus op z’n minst,’ antwoordde hij en ging aan het werk.

   De ruimte waar de vier patiënten met hem in gesprek zouden gaan, werd keurig voor iedereen afgesloten. Familieleden bleven in spanning achter, doktoren gingen terug naar hun afdelingen, de rust keerde weer en ik luisterde naar de verhalen van vrienden, familieleden en kennissen. Allemaal met tranen beladen verhalen.

   Dit was voor de mensen in die chambre separée een groots moment, maar ook voor de familieleden. De vader van een van hen sprak me aan en legde zijn armen om mijn schouders. Ik voelde de tranen van zijn wang aflopen en besefte per minuut meer wat deze ontmoeting voor alle betrokkenen betekende.

   Drie meter van me vandaan stond collega Peter Ouwerkerk. Ik had hem speciaal gevraagd ook te komen, omdat ik verwachtte dat het toch wel een speciale ochtend zou worden.

   Peter en ik zijn leeftijdgenoten en onze journalistieke dienstjaren lopen behoorlijk parallel.

   We hadden die ochtend een paar keer oogcontact en gebruikten weinig woorden en zo nu en dan zagen we elkaars natte ogen. Helemaal toen de schuifdeuren van de kamer opengingen en de patiënten en Lance naar buiten kwamen.

   Van afstand keek ik toe en zag nog meer tranen, maar ook intense tevredenheid. Ouwerkerk, naast me: ‘Dit is indrukwekkend.’ Ik hoorde zijn stem breken en moest flink slikken bij het zien van al die mensen die rond hun geliefden groepjes vormden met vragen, antwoorden, schouderklopjes, tranen en blijdschap.

   Armstrong had nog een korte rondleiding gekregen op de kankerafdeling, had veel mensen een hand gegeven, had bemoedigende woorden gesproken tegen ouders en vrienden en stond op het punt te vertrekken. Hij had nog zeventien afspraken die dag, grapte hij, maar nu hield hij even in en ik zag hem in een telefoontoestel van Philippe Maertens praten.

   Hij vertrok even later en binnen de kortste tijd ontvingen mensen van het ziekenhuis een bericht: ‘Iedereen in het Erasmus MC, patiënten, verplegers, doktoren, veel dank voor de inspiratie die ik deze ochtend opdeed. L.A.’

   Toen die boodschap aan elkaar voorgelezen werd, straalden de mensen. Hadden ze werkelijk gezien wat ze gezien hadden? Een wat oudere arts vroeg me: ‘U kent hem, is hij altijd zo? Dat kan bijna niet.’

   Ik haalde mijn schouders op en antwoordde: ‘Dit was de eerste maal dat ik hem in zo’n situatie meemaakte. Hij verbaasde mij ook.’

   Het verhaal werd nog mooier die dag. Ik hoorde via via dat een van de patiënten die met Armstrong in gesprek zou gaan, op weg naar het ziekenhuis in een ferme verkeersopstopping terecht was gekomen. De ambulance waarin die patiënt vervoerd werd, kon geen kant meer op en van een meet & greet leek geen sprake.

   Voor de Armstrong in die situatie van die dag, was er natuurlijk wel een oplossing. Ik hoorde later hoe er razendsnel gekoppeld en geschakeld was. Hoe de ambulance naar een parkeerplaats bij een hotel aan de rand van de stad was gestuurd, hoe Armstrong, gereden door Philippe Maertens, naar die plek was gereden, hoe hij lak had aan andere afspraken op dat moment, hoe hij de ambulance was binnengestapt en hoe hij een gesprek had gevoerd met de patiënt die daar lag.

   De verguisde, de bewierookte, de toegejuichte, de afgebrande, de stoere flapuit had zich deze ochtend van een kant laten zien die bij alle aanwezigen diepe indruk had gemaakt.

Als je tien jaar later terugdenkt en terugkijkt, kom je tot de conclusie dat deze uitvoering van Lance Armstrong een andere was dan de schuldige man die drie jaar later met zijn billen bloot ging en toegaf alles in zijn lijf te hebben gespoten om maar zo competitief mogelijk te kunnen koersen.

   Tussen toen, in Rotterdam en nu, aan de ontbijttafel in Haarlem, lagen zoveel verhalen.

   Over de man die loog en bedroog, over de man die uit de uitslagenlijsten van de wielerwereld werd gestreept, over de boeman, de matennaaier, de tricheur, de kampioen, de geweldige tijdrijder, de oplichter, de weldoener, de vader, het kind, de mens Lance Armstrong.

   Ik?

   Ik hield zoveel herinneringen aan hem over; alle verschillend. Warm, leuk, wreed, afschrikwekkend, brutaal, klootzakkerig, vriendelijk, empathisch, mooi, triest, euforisch, reëel en overdreven, misdadig en lief.

   Deze van Rotterdam was wel heel speciaal.

   En dus vooral zalvend voor die mensen die privé met hem hadden kunnen praten. Voor wie hij de tijd had genomen en voor wie hij een klankbord-voor-heel-even was geweest.

   Ik wist van het overlijden van een van hen, maar toen kwam dat appje van Martijn.

   Op die gezegende vrijdag.

   Dat was nog eens een teken van leven laten horen.

   Martijn vierde dat het tien jaar geleden was dat hij met Lance Armstrong had kunnen praten. Hij wist nog maar al te goed wat dat voor hem betekend had, toen, en nu nog.

   Hij was er nog, hij leefde.

   Gefeliciteerd Martijn. Blijf die 2e juli 2010 in je gedachten houden als iets bijzonders.

   Dank je wel Martijn dat je me op een prachtige manier weer herinnerde aan wat er tien jaar geleden was gebeurd. 2 juli 2010 was een gekroonde dag geworden.

   De man die later tot onder zijn enkels zou worden afgezaagd, die cynisch en erger ging reageren op wat de wereld van hem vond, was toen, omdat hij vond dat dat zijn taak was, even langsgekomen in een Rotterdams ziekenhuis.

   En, als mensen die dit nu gelezen hebben, zich afvragen of het kies is om de foto die op die ochtend in Rotterdam gemaakt werd, hier ook af te drukken, luidt het antwoord: ik heb het aan Martijn gevraagd en hij vond het goed.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


 

Leave a Reply