DE TOUR BEZEGELD ALS MICHELANGELO

Auteur: Jeroen Wielaert


Op de Aubisque stond vroeg in de beklimming de Papa Mobil, een witte bestelbus met een acteur op het dak. Hij had een lange witte pij aan, een rood-wit gestreepte kazuivel om zijn schouders en een mijter met een geel kruis op zijn hoofd.

‘Dag mijn zoon,’ zei hij, toen ik naar hem toe liep.

Schuin tegenover, zo’n honderd meter verderop, had een soort druïde zijn plek langs de weg ingenomen, een man in losse witte lappen, dito forse snor en baard en een buikomvang die deed vermoeden dat hij in een ketel abdijbier was gevallen.

Het was de dag van het opperste geloof in de Tour.

Ik wilde nieuwe geschiedenis meemaken op historische hoogten. Het ging mij vooral om heimwee en hunkering. Mijn oorspronkelijke plan was alleen de noordelijke Franse etappes te volgen. Daarna reed ik naar de Alpen. Nu ging ik toch weer naar het diepe zuiden. Er waren lieve getrouwen die me zeiden dat ik dwaas was. Ik kende mijn gekte, mijn onrust, mijn enthousiasme. Thuis  in Zeeuws-Vlaanderen was ik gaan gras maaien onder een lange ontsnapping. Niet de enige reden om terug te gaan. Er was nog wat te doen beneden in Frankrijk. Erbij zijn, genieten van de sfeer van de ronde. Drie bergetappes, als slierten naast elkaar gelegd die moesten worden samen geknoopt in een magistrale gele strik.

Zo kwam ik na Lille eerst stil te staan in een forse file bij een hitte van 43 graden. Ik genoot daarna van een aangename tussenstop in Hotel de Paris in Limoges. Tijdens de rit van Saint-Gaudens naar Peyragudes kwam ik uiteindelijk terecht in Restaurant Café de France in Sarrancolin in het dal voor de Aspin. Het is sinds 1997 een van mijn favoriete plekken. Destijds moest ik door jakkeren, nu kon ik aan de bar plaats nemen in de bruine gelagkamer waar aanvankelijk alleen een gezin met kinderen naar de Touruitzending zat te kijken.

In deze serene horecagrot openbaarde zich geen dame in het wit om me met kalme gebaren mee te nemen, bekoorlijk in haar vormen en overtuigend in haar wens om me te verlossen van mijn Tourverslaving. In plaats daavan stonden een stel kerels met petjes en witte shirts met rode bollen in mijn nek te zingen. Ik wist dat het geen psalmen waren. Pogacar won boven op Peyragudes. Hij had nog Tourwinnaarsallures.

Bij de start in Lourdes hing de lucht nog vol hoop, met veel klokgelui en geschetter van het startpodium voor de Basilique Notre-Dame du Rosaire. Overal was liefde, voor alles voor de fiets. Allesbepalend was het geloof. Na Lourdes openbaarde zich de devotie weer, andermaal ging de processie van de Tour verder. Vakantiepubliek op de hellingen, vol van zomerse euforie.

Voor alles is de Tour een trance. Beneveling, vervoering, gekte, la folie.

Op de fiets ging het heel serieus in geloof eigen kunnen, in het onmogelijke, en vooral in het haalbare in het ultieme tweegevecht tussen Vingegaard en Pogacar.

Ik zie het beneden in Bar le Centre in Argeles-Gazost, druk dorp aan de voet van de Hautacam. Aanvallen van Pogacar op de Spandelles. Dan de afdaling, Pogacars val en het wachten van Vingegaard. De Deen reikend met zijn rechterhand, de Sloveen met zijn linkerhand.

Het was een moderne versie van Michelangelo’s Schepping van Adam in de Sixtijnse Kapel. Daar gelooft het wielervolk het diepst in. De Tour van 2022 is ermee bekrachtigd tot in de eeuwigheid.


De Tourcolumn door Bert Wagendorp, John Kroon en Jeroen Wielaert.


Leave a Reply