BERT WAGENDORP

• Gratis •


DE LAATSTE STAP VAN TOM DUMOULIN


De 1613e tweet van Tom Dumoulin, geplaatst op zondagavond 28 mei 2017, twintig minuten over acht, luidde als volgt: ‘think I won the @giroditalia today!!! WTF!!!!’. Dat was bijna drie uur nadat hij in Milaan zijn tijdrit had voltooid en alleen nog even moest wachten op Pinot, Nibali en Quintana om helemaal zeker te zijn van het inderdaad verbazingwekkende feit: dat hij de honderdste Giro d’Italia had gewonnen, dat hij de eerste Nederlander was die dat kunstje had geflikt; dat hij Tom Dumoulin heette en dat uitgerekend die naam op alle schermen bovenaan het eindklassement stond, dus dat het kennelijk zo was dat hij, Tom Dumoulin, had gezegevierd. 

   (En nog wel de mooiste Ronde van Italië sinds mensenheugenis, een Ronde van Italië die liet zien hoe ongelooflijk leuk wielrennen kan zijn als er niet voortdurend een computergestuurde Sky-brigade op kop rijdt, een ronde waarin je bijna dagelijks van verbazing van je stoel viel en waarin, dat speelde natuurlijk ook een rol bij de euforie, Nederlandse wielrenners vooraan meededen en eentje van hen zich kennelijk had voorgenomen de wedstrijd gewoon te gaan winnen, een hondsbrutaal voornemen dat je bijna on-Nederlands zou kunnen noemen.)

Op de maandag van de laatste week van de Giro dacht ik dit: na morgen weten we of Tom Dumoulin een uitzonderlijke wielrenner is, of hij meer is dan een groot talent, of hij de laatste stap naar grootheid kan zetten, de allermoeilijkste stap die er in de sport bestaat, namelijk die waarin je niet alleen de anderen maar ook jezelf ervan moet overtuigen dat je beter bent dan de rest, dat je de top van de Olympus tot op een meter bent genaderd. De stap van het definitieve onderscheid en die van de eenzaamheid, want dat is het, aan de top, eenzaam en alleen. Voor die laatste stap is veel durf nodig, want hij komt met eisen en verwachtingen, opeens draag je de hoop van duizenden op je schouders.

   Dinsdagavond wist ik het antwoord nog niet; het beeld van de kakkende Tom Dumoulin had twijfel gezaaid. Ik probeerde me Merckx voor te stellen met de rennersbroek op de knieën, Hinault, Amstrong, maar het lukte me niet. Twee dagen later, op de laatste klim naar Ortisei, dacht ik dat ik het wist, toen Tom Dumoulin uitdagend naast zijn grootste concurrenten Nibali en Quintana omhoog fietste en superioriteit uitstraalde: dit was de stap. Maar weer een dag later, op weg naar Piancavalla, was de twijfel opnieuw terug. Eerst zat Dumoulin achterin het peloton ‘te keuvelen’ en scheurde de groep uit elkaar, met hem aan de verkeerde kant van de scheiding. Bovendien had hij die dag slechte benen en verloor hij de roze trui.

   Ik vreesde het traumatische scenario dat voor Nederlandse wielerliefhebbers al veel te vaak is langsgekomen, dat van de nederlaag in de laatste dagen van een grote etappekoers – remember Hennie Kuiper, Erik Breukink, Steven Kruijswijk. Herinner je, het meest verontrustend van al, Tom Dumoulin zelf, in de Vuelta van 2015. De doem van de onverklaarbare zwakheid, de weigering de laatste dolkstoot toe te dienen, de verkramping voor de laatste stap, de angst voor de top.

   Ik zag het donker in, zaterdag tussen Pordenone en Asiago en bereidde me voor op de sportieve teleurstelling van het jaar: Tom Dumoulin die machteloos zou moeten toezien hoe de killers bij hem zouden wegrijden. En trouwens ook bij ons, zijn fans.

Wat die laatste dagen tamelijk opvallend was, was de rust die Dumoulin uitstraalde – het leek alsof de tegenslagen hem niet erg raakten. Eigenlijk was het best goed gegaan, de dag van Mortirolo, Stelvio en sanitaire stop. Dom dat hij donderdag niet had zitten opletten en jammer van de slechte benen, maar hé, als dit dan zijn zwakke dag was geweest dan viel de schade nog best mee en wie weet ging het zaterdag beter.

   In elke uitzonderlijke sportman zit een zekere onverschilligheid jegens de gebeurtenissen die hem overkomen. Mindere goden beklagen zich over het onheil dat hen heeft getroffen, over de pech en het domme lot. Maar de echte grootheid accepteert, vergeet en kijkt vooruit, alleen maar vooruit, nooit naar wat is geweest en wat toch niet meer kan worden veranderd. Het falen van gisteren telt vandaag niet meer, vandaag is alles anders. Het supertalent sterkt de spieren met optimisme en zijn geest is gedrenkt in zelfvertrouwen. Ook als hij gekwetst is, straalt hij onkwetsbaarheid uit. Verlies is nooit het einde van het verhaal, want aan het eind gloort de overwinning.

   Dat Tom Dumoulin op de voorlaatste dag van de Giro niet bezweek onder de druk was het teken, meer nog dan de wijze waarop hij toesloeg in de tijdrit tussen Monza en Milaan, een staaltje zenuwenbeheersing zoals dat maar zelden eerder was te zien.

   Maar na zaterdag was het niet moeilijk te voorspellen dat Tom Dumoulin meer grote rondes zal gaan winnen, dat hij volgend jaar naar Frankrijk reist met de gele trui als doel; 27 is hij dan, even oud als Miguel Induraín toen die de eerste van zijn vijf Tourzeges boekte. Miguel Induraín, die won volgens het feilloze recept dat ook Dumoulin steeds beter zal gaan toepassen: toeslaan in de tijdritten, meerijden in de bergen.

   Na die zaterdag durfde ik wel te voorspellen dat hij zal uitgroeien tot de grootste ronderenner die Nederland ooit heeft gehad en dat hij niet zal bezwijken onder de druk van die verwachting, omdat het geen verwachting van een paar hoopvollen is, maar de logische uitkomst van wie hij is en wat hij kan.

   De fouten die Tom Dumoulin deze Giro maakte zouden elke andere renner noodlottig zijn geworden, maar hem niet. Het lijkt alsof er bij de echte campionissimi iets mysterieus meefietst; we noemen dat meestal geluk, omdat we geen betere verklaring weten, maar het is geen geluk – het is de geesteskracht van het uitzonderlijk getalenteerde individu dat de werkelijkheid zijn kant opbuigt.

   Tom Dumoulin heeft de laatste stap gezet.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur Meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp en John Kroon.

Foto: Laura Meseguer // Instagram

Leave a Reply