EZELS OKÉ, MAAR WIE ZIJN DIE RENNERS?


Auteur: John Kroon

Wielercommentatoren verrichten hun werkzaamheden voor de televisie in de wetenschap dat ze nimmer alle kijkers en luisteraars zullen bekoren. Ze zijn geliefd of gehaat en verder zijn alle gemoedstoestanden die hiertussen liggen ook van toepassing. Over smaak valt nu eenmaal net zoveel te twisten als over afkeer.

Laat ik volstaan met de constatering dat op de website Wielerflits, die sinds 2016 haar bezoekers vraagt een poll in te vullen, al drie jaar lang Michel Wuyts en José De Cauwer van de VRT respectievelijk als beste commentator en beste analist worden gekozen. Of dat tot tandengeknars op het Mediapark in Hilversum leidt, weet ik niet; wel dat op sociale media wielerfans zich in de discussies hierover niet onbetuigd laten.

Commentatoren leven ook in het besef dat hun populariteit mede wordt bepaald door de successen die topsporters met dezelfde nationaliteit behalen. Het zegt wel iets dat de Ronde van Italië dit jaar op Eurosport in Nederland 15 procent minder kijkers heeft getrokken (gemiddeld 228 duizend) dan in 2018. Kijkcijferonderzoeker Daam Van Reeth heeft er geen verklaring voor gegeven, maar dat het vroege uitvallen van Tom Dumoulin ermee te maken heeft, zal niemand betwijfelen.

De elfde dag, 22 mei, trok het minste bekijks. En dat is geen wonder, want dat was zo’n etappe van boven de 200 kilometer over vlakke wegen waarvan je voor 99 procent zeker weet dat een massasprint zal uitmaken wie de winnaar wordt. Dat was Caleb Ewan. Na het bekende kat- en-muisspel met ‘de vlucht van de dag’, waarbij, anders dan in de tekenfilmserie Tom & Jerry, het roofdier aan het langste eind pleegt te trekken. Zo’n etappe dat je als kijker bij voorbaat denkt: ik ga eerst maar eens zelf een stuk fietsen, een boek lezen (over wielrennen bijvoorbeeld), het gazon maaien of via betaalde arbeid mijn bijdrage aan het bruto nationaal product leveren. Dan kijk ik het laatste uur wel, als ik tenminste op tijd thuis ben.

Maar hier ontstaat een probleem waar commentatoren en regisseurs te weinig rekening mee houden. Je valt dan midden in hun conversatie. Alsof je in de trein zit en een gesprek afluistert van twee medepassagiers die zich aan jouw aanwezigheid verder weinig gelegen laten. Zo hoor je dat de een van ezels houdt, hoe een ander de matige maaltijd van gisteravond bespreekt of meedeelt dat hij toe is aan een rustdag. Of je ziet een renner in een opgenomen interview zijn verwachting voor deze dag uitspreken, terwijl de renners intussen 160 kilometer onderweg zijn. Als de etappe wel (in)spannend is, hoor je soms iemand beweren dat renners om hun moeder roepen, al zijn er geen geluidsopnamen die daarvoor als bewijs kunnen dienen.

Het gekeuvel is niet onbegrijpelijk; wat moet je anders, in je hok aan de finish of ergens in een studiocomplex ver weg, als er op de weg niet veel meer gebeurt dan dat er wordt gefietst. Voor zulke sportverslaggeving geldt een bekend gezegde min één woord: praatjes vullen gaatjes. Kwaad kan het verder niet, en wie zich eraan ergert verspilt zijn tijd. Zoals het nu eenmaal ook zo is dat wielerreportages ongeveer voor 70 procent gaan over wedstrijden van vroeger, voor 15 procent over wat de renners de komende dagen te wachten staat, waarna er nog 15 procent resteert voor het actuele verslag.

Soms beseft een verslaggever (‘voor de kijkers die misschien nu pas inschakelen’) opeens dat het tijd wordt om ter zake te komen. Wie zijn die lui in de kopgroep, welke renners rijden er in het peloton vooraan en waarom doen ze dat? Je kunt als kijker die later inschakelde natuurlijk je toevlucht nemen tot internet waar op diverse sites via livestreams de stand van zaken adequaat wordt bijgehouden, maar het moet toch mogelijk zijn een tv-reportage te volgen zonder laptop op schoot. De namen van de vluchters of achterblijvers mogen ook best wat vaker in beeld verschijnen, waarde regisseurs.

Dus, tv-commentatoren en ervaringsdeskundige analisten: hou ons wat beter op de hoogte van de actualiteit, en dat geldt ook voor etappes die wel enerverend zijn. Zie je een peloton vol renners, roept de verslaggever opeens: ‘Daar rijdt Formolo.’ Mooi, maar waar rijdt Formolo dan? Waar is daar? Moeten wij, de iets minder ingevoerde kijkers, dan maar uit ons hoofd hebben geleerd in welk tenue Formolo rijdt en welk nummer hij heeft? Bovendien: rugnummers zitten per definitie niet van voren. Door die zonnebrillen en helmen kunnen wij de heren ook al niet herkennen, trouwens als ze die na afloop afzetten blijkt het, Jos van Emden uitgezonderd, om jonge jongens te gaan.

Dus zeg: ‘Aan de rechterkant, in dat blauwe tenue, rijdt Dries Devenijns.’ En laat regisseurs afzien van hun onhebbelijke gewoonte om net als je aan de linkerkant een nog naamloze renner ziet demarreren, tenminste daar leek het toch op, juist dan te kiezen voor een andere camera die een kasteel, een adelaar of één fietswiel in beeld brengt.

Zo, het Critérium du Dauphiné is begonnen, de Ronde van Zwitserland komt eraan en voor je het weet begint in Brussel de Ronde van Frankrijk. We gaan lekker kijken (en luisteren). Alle uren en alle dagen. Of af en toe.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Leave a Reply