Auteur: Renate Verhoofstad
De zon scheen. Azuurblauwe lucht, dipinto di blú. Ik reed in oostelijke richting op de autostrada A11. Het was alsof mijn eigen verleden aan me voorbijtrok.
Ontelbare keren had ik deze route afgelegd, op weg van de luchthaven van Pisa naar Florence, de stad waar ik in 2003 verliefd werd en aan een Britse schoenontwerper bleef hangen.
Daar had je de afslag Lucca al, het middeleeuwse vestingstadje waar ik vijf jaar had gewoond. Er trok een zachte wind door de auto; het was zo’n dag waarvoor de Italianen zo’n mooi woord hebben bedacht: ottobrata – een najaarsdag warm genoeg om in bikini op het strand te liggen.
Aan de horizon zag ik de kerktoren van Montecarlo, een van de mooiste dorpjes van Toscane, waar Michele Bartoli voor veel wielergeld een werkelijk wanstaltige villa in de heuvels heeft laten bouwen. Lo stile non è aqua, leerde ik van mijn vriendin Gianna: klasse is niet te koop. Het vertrouwde geluid van radiostation RDS vulde de auto.
Ik was op weg naar Prato, middelgrote stad onder de rook van Florence. Beroemd vanwege de fresco’s van renaissanceschilder Filippo Lippi in de kerk van Santa Margherita. Al haalt Prato tegenwoordig vaker de krant omdat het de grootste Chinese gemeenschap van Europa huisvest. Zo’n 45.000 Chinezen op een inwonertal van 200.000. Ze worden le formiche (de mieren) genoemd, vanwege hun arbeidsethos en omdat ze met zoveel zijn. De Chinezen hebben in Prato vooral de textielindustrie stevig in handen en stikken massaal labeltjes met made in Italy in de boorden van gekopieerde merkkleding. Lucratieve handel uiteraard, maar veel Italianen is het een doorn in het oog. De straatnaambordjes in het Chinees en het kwatten op straat trouwens ook. En ook het feit dat de Chinezen inmiddels hele delen van Prato hebben opgekocht, vaak de duurste huizen en beste landbouwgrond. Want wie betaalt, bepaalt. Welkom in Plato is daarom een veelgehoord politiek incorrect grapje.
Ik reed Prato binnen, het Beijing van Toscane. Niet bepaald de plek die ik me had voorgesteld voor een ontmoeting met een van de meest flamboyante renners van de afgelopen vijftien jaar. Bijnaam? Il Principe, het Prinsje. Waar was die Monegaskische beachclub nou, cazzo!?
Waar waren het glas Aperol Spritz en het uitzicht op de Middellandse Zee? Dat waren de beelden waarmee ik de afgelopen jaren zo vertrouwd was geraakt, als fanatiek volger van @pippopozzato op Instagram. Met filmpjes van Pozzato, in blote bast trainend in Monaco; Pozzato, een olijfje wegprikkend op zijn balkon met uitzicht over zee of Pozzato, uitbuikend op een bedje op het strand. Jaloers makende scènes, kortom. De Côte d’Azur, dat was het perfecte decor voor een gesprek met Filippo Pozzato, 38 jaar oud inmiddels.
Dat was ook het oorspronkelijke plan geweest trouwens, een afspraak die stamde uit 2013 toen ik de wielrenner voor het eerst ontmoette voor een reportage van VPRO’s Holland Sport. Pozzato kwam de ochtend van de opnames in zijn zwarte Ferrari vanuit Montecarlo richting Sanremo gescheurd. Tegen de Poggio omhoog. Ik herinner me een jankend, knetterend, jekkerend en gorgelend geluid dat opklonk uit het dal en dat met iedere haarspeldbocht luider, intenser en indrukwekkender klonk.
Een geluid dat je in vuur en vlam zette. Dat je kippenvel gaf, van je kont tot je kruin. Een geluid dat ontegenzeglijk opwindend was. Het type geluid ook dat je in mp3-formaat in alle variaties kon terugvinden op speciale websites voor audio-fetisjisten.
Ik had dat geluid al vaker gehoord. Nadat Italië in de finale van het WK voetbal van 2006 Duitsland had verslagen, trok een bonte stoet van scooters en auto’s aan mijn slaapkamerraam in Florence voorbij. Er stonden in de overwinningsfile, een soort gemotoriseerde surplace, ook een paar Ferrari’s te toeteren en te gassen en opgewonden te hengsten.
Ik genoot van de kakafonie aan geluid en van de Italiaanse macho-mannen achter het stuur. Het leek een paringsdans, voor de deur in mijn eigen Viale Vasco Pratolini. Ik wuifde terug vanuit het slaapkamerraam. Je veren aan een ander laten zien, óók dat was la dolce vita.
Op de Poggio kwam het geluid steeds dichterbij.
‘Zie je ’m al, zie je ’m al?’ vroeg presentator Wilfried de Jong ongeduldig – hij stond met draaiende camera en al in een bloemenkas.
‘Nog drie haarspeldbochten,’ riep ik terug vanaf de overkant van de straat.
De Jong stak twee duimen in de lucht.
We konden niet wachten.
We wisten wat erover de Italiaanse paradijsvogel allemaal werd gezegd, door het puriteinse deel van de wielerkerk althans. Dat hij een aansteller was, met zijn gecoupesoleilde haar. Dat hij een ijdele macho was die de beloftencategorie weliswaar had mogen overslaan, maar die bij Mapei veel te vroeg te groot werd gemaakt, een haantje de voorste bij Quick-Step, Lampre en Liquigas. En daarna bij nog een hele trits ploegen. Die in Monaco een luxe leventje zou leiden, omringd door fotomodellen en showgirls. Die aan peperdure horloges en Ferrari’s deed.
Te veel woorden en te weinig daden voor iemand die een predestinato heette te zijn – een voorbestemde kroonprins.
Los daarvan, had je die tattoos op zijn lichaam gezien? De een nog wanstalteriger dan de ander. Vooral die enorme Japanse koikarper op zijn rug. Wie verzon zoiets? De namen van zijn ouders Carlo en Franca op de borst, vooruit, dat kón nog. Maar het Ave Maria in zijn lendenen? Of dat pretentieuze Only God Can Judge Me in krulletters op zijn schouderbladen, als een denkbeeldige middelvinger naar alle criticasters die weigerden te geloven in zijn onschuld toen Pozzato in 2012 toegaf de fameuze dopingdokter Michele Ferrari te hebben bezocht. Zij het slechts voor wat trainingsprogramma’s en aanverwant advies.
Jaja. Wat verbeeldde die gast zich?
Het zou mij eerlijk gezegd een rotzorg zijn wat Pippo Pozzato zich allemaal verbeeldde. Cazzi suoi, zoals de Italianen zeggen. Dat zijn zíjn zaken. Ik dacht vooral aan die keer dat ik hem van dichtbij voorbij had zien dokkeren op de Oude Kwaremont, tijdens de Ronde van Vlaanderen van 2013. Mijn vader en ik raakten die dag niet alleen in vervoering van winnaar Fabian Cancellara. Pozzato was wat je noemde een Italiaanse flandrien, een klein beetje in de traditie van de Ballerini’s, Baldato’s, op wie ik ook zo dol was.
Hij zat mooi gebeiteld op de fiets; een kasseienvreter, maar wel eentje met de geur van sinaasappelbloesem om zich heen.
Belgische wielerfans vonden hem een wieltjeszuiger. Maar wat wil je, admiraal Pozzato had de pech rond te fietsen in het tijdperk van Koning Cancellara en Keizer Boonen. Hij speelde vaak de tweede viool, klopt. Maar hij won ook Milaan-Sanremo, de E3-prijs, de Omloop Het Volk en de Tirreno-Adriatico. Hij sprintte naar etappezeges in alle drie de grote rondes.
Niet de eerste de beste dus, Filippo Pozzato. En altijd een genot om naar te kijken. Op de fiets uiteraard, maar ook flirtend en twinkelend voor de telecamera’s van de Rai. Interviews in prachtige Italiaanse volzinnen. Daar hoefde je bij de meeste andere renners niet op te rekenen.
U vraagt, wij van de firma Pozzato draaien.
Pozzato stond met een baseballcap tussen de afrikaantjes in een verweerde bloemenkas. Hij vertelde Wilfried de Jong over die ene dag in 2006 dat wél alles klopte en hij La Primavera won, een jongensdroom. Auro Bulbarelli, de commentator van de Rai, die met overslaande stem schreeuwde: P-ó-z-z-á-t-ó su Petacchi, Pozzato su Petacchi!! Pozzato voor Petacchi, Pozzato verslaat Petacchi!! Co-commentator Davide Cassani kon het ook niet geloven. Die zei dat we net een van de mooiste finales van Milano-Sanremo ooit hadden gezien. Bulbarelli stelde vast dat Pozzato als een fuoriclasse (renner van de buitencategorie) had gereden. Sterker nog, hij had zich een maestro getoond. Cassani voegde daaraan toe dat met de overwinning van Pozzato een nieuwe lente voor het Italiaanse wielrennen was aangebroken.
In de kas ging het ook over la primavera. Dat wil zeggen: over de bloemetjes en de bijtjes. Pozzato had het over de ontluikende hormonen die na een lange winterslaap weer tot leven kwamen. En de prikkelende schoonheid van een paar meisjesbenen onder een opwaaiende zomerrok. Playboy Filippo knipoogde dat hij niet kon wachten.
Toen ging hij er maar weer eens vandoor. Vraoooaaaaarrrrr, gromde de zwarte Italian stallion onder de motorkap. ‘Niente paura,’ klonk de stem van rockzanger Ligabue uit de speakers: ‘Heb geen angst.’
En nu zou ik hem zo dus weer ontmoeten, in een scharrige sporthal in Prato. In een decor van vergane glorie. De geur van zweet hing in de lucht, ik keek naar mannen op leeftijd met bierbuiken in alle soorten en maten, die met een soort ijshockeystick en op rolschaatsen jacht maakten op een geel balletje. Het was een soort vrij worstelen op wieltjes. Gevloek en gemep op de houten piste.
De achtste editie van het Taça Latina werd in de Pratose sporthal geafficheerd als een belangrijk internationaal toernooi voor veteranen. Maar je hoefde geen kenner te zijn om te zien dat het hier niet om de Champions League van het rollerhockey ging. Die sport werd in Italië door anderhalve man en een paardenkop beoefend.
En door Pippo Pozzato dus. Ik herkende hem aan zijn inmiddels wat uitgedunde krullenbol. En tekenden zich in het lichtblauwe sportshirt, boven de korte broek, een paar bieflapjes af? Pozzato kreeg af en toe de bal toegespeeld, maar het lukte hem niet om te scoren. Hij miste ook nog een penalty. Maar wat kon het schelen? Voor Pozzato stond het plezier nu voorop, had hij onlangs tegenover de Gazzetta dello Sport verklaard. Beetje aanklooien met kameraden uit zijn jeugd, toen hij in zijn geboortedorp Sandrigo ook al aan rollerhockey deed, toch een beetje zijn eerste liefde.
Niet veel later zaten we samen onder een boom aan een Birra Moretti, Principe Pozzato en ik. Met naast ons een team beschonken rollerhockeyers met de toepasselijke bijnaam The Old Blacks. Er werd geproost, cin cin. Pozzato was gekleed in een spijkerbroek met scheuren en een nonchalant T-shirt. Hij leek inderdaad wat kilootjes aangekomen, maar zijn jongensachtige glans had hij nog niet verloren.
Er was bij Pozzato geen sprake van nostalgie. Hij had nooit last gehad van depressies na het einde van zijn carrière en ook niet van een zwart gat. Daarvoor had hij het veel te druk, zei hij. Hij kluste bij als influencer voor een bekend wielerkledingmerk, werkte op commissiebasis voor een Deens bedrijf in fietscomputers, deed nog iets met wielersokken, iets met fietsen ontwerpen en iets met social media. Verder trad hij op als zaakwaarnemer van talenten als Sonny Colbrelli en Davide Ballerini, had hij met oud-renner Luca Mazzanti een Continental-team opgezet naar het voorbeeld van de Nederlanders Eelco en Martijn Berkhout van SEG Racing. En nu had hij ook nog de organisatie van het Italiaanse kampioenschap op de weg op zich genomen, in zijn eigen geboortestreek de Veneto.
Pippo was drukdrukdruk. Hij zou morgen en maandag alweer met allerlei sponsoren aan tafel zitten, in de hoop ze te overtuigen geld in zijn progetto te stoppen. Als het aan Pippo Pozzato lag ging er een frisse wind waaien door het Italiaanse ciclismo. Ideeën zat. Koersen met grote schermen en hospitalitytenten langs het parcours, waar het publiek tijdens de race terechtkan voor een natje en een droogje. Mijn aversie tegen alles waar ‘hospitality’ of ‘vip’ voor staat, deelde Pozzato niet.
‘Nee joh. Geef ze champagne, geef ze wijn, bied service.’
Hij had goed naar de Ronde van Vlaanderen gekeken. ‘De Ronde e bello. En die heeft ook nog eens de coolfactor. Je moet jongeren bereiken, hun vermaak bieden. Ik wil tijdens het Italiaans kampioenschap live newsflashes op populaire Italiaanse radiozenders en ik ga mijn vriend Giovanotti vragen om op te treden. Wielrennen moet een feest zijn, vermaak, ook voor vrouwen en kinderen.’
‘In Italië zijn we traditionalisti. We zoeken niet naar vernieuwing, alles moet altijd bij het oude blijven. Maar de fans verouderen. Wat als zij er straks niet meer zijn? Het wielrennen heeft dappere bestuurders nodig die andere wegen durven te bewandelen. In België hebben ze de Muur uit het parcours van de Ronde geschrapt. Het was of de wereld verging, maar de Ronde is populairder dan ooit. En er komen nog meer mensen kijken.’
Daar had Pozzato een puntje.
Hij begon nu als een echte koersdirecteur te klinken en zei dat het tijd werd dat veertigers het overnamen van de zeventigers. Die dachten de waarheid in pacht te hebben, maar ze hadden het wielrennen de afgelopen jaren geen stap verder gebracht. Er waren mensen van buiten nodig, jongelui met een frisse blik.
Pippo nam nog een slok Birra Moretti en beklaagde zich over jonge coureurs die geen respect meer hadden voor oudere renners.
‘Ik hoefde echt geen grappen uit te halen met Cipo. Hij had me gelyncht. Nu gaan ze naast Sagan rijden en doen bijdehand.’
Er was ook een gebrek aan regels, zei Filippo, en dat leidde tot de gekste valpartijen. ‘Niemand wil op de rem.’ En dan had je ook nog de globalisering. ‘Daardoor is de koers nu open voor iedereen. Wat op zich positief is, want de wereld ligt aan onze voeten. Maar wat ook veranderd is, is wie het commando voert in het peloton. Vroeger was Engeland een onbeduidend wielerland, maar de afgelopen tien jaar hebben zij de meeste Tourwinnaars geleverd. De Britten maken de dienst uit. Hebben het fysieker gemaakt, minder tactisch. Maar daardoor is de sport is ook voorspelbaar geworden. En mist ze personality’s.’
Maar waar vond je die larger than life-karakters die het wielrennen zo hard nodig had? ‘Moeilijk, natuurlijk,’ zei Pippo. ‘Ik bedoel, van Nibali kun je geen Cipollini maken. Die heeft dat charisma gewoon niet. Ik geloof heel erg in de kracht van social media, maar leuke filmpjes maken kan Vincenzo niet. Het past niet bij hem. En dat kun je ook niet forceren. Maar ik kijk bij het scouten van jonge renners voor mijn eigen Continental-team dus wel naar karakter. Ze moeten vooral hard kunnen fietsen, maar moeten ook persoonlijkheid hebben.’
Zo ging Pippo maar door, van het ene ambitieuze plan naar het andere. Je zou bijna vergeten dat hij vorig jaar pas afscheid had genomen van de fiets. Maar Pozzato had in Prato helemaal geen zin in achteromkijken naar wat geweest was. ‘Wielrennen is mijn leven en passie. Alles wat ik heb, heb ik aan het fietsen te danken. Maar ik kan de rest van mijn leven niet die ex-renner zijn. Ik moet door, op zoek naar nieuwe uitdagingen.’
Er waren dus ook maar weinig momenten van reflectie geweest, het afgelopen jaar. Zelfs luierend op het strand van Forte dei Marmi had hij afgelopen zomer werkelijk geen moment aan zijn overwinningen gedacht. Hij miste de koers ook niet. ‘Ik ben dit jaar maar naar één etappe van de Giro geweest.’ Het hele wielerwereldje was hem gaan tegenstaan. ‘Dat was uiteindelijk ook de belangrijkste reden om te stoppen. Er waren altijd problemen.’ Vooral de laatste vijf jaar van zijn carrière waren geen pretje.
De ellende begon in 2013, toen Pozzato bij Lampre tekende. ‘Op een gegeven moment wilden ze me mijn salaris niet meer betalen, ploegleider Beppe Saronni vond dat ik te veel verdiende. Maar ik heb hem nooit een pistool tegen zijn slaap gezet om me dat contract te geven, hè? Toen heeft de ploeg me onder druk gezet. Als ik niet akkoord zou gaan met minder salaris, dan zouden ze me geen wedstrijden meer laten rijden. Dat mag natuurlijk helemaal niet. Maar het gebeurde wel.’
‘Vervolgens kon ik bij Vini Fantini-Selle Italia komen en die zeiden: “Pippo, bepaal jij maar hoe je het wilt. Welke koersen je wilt rijden en zo.” Maar al snel bleek dat ze me alleen maar hadden gebruikt om een betere sponsor binnen te halen. Toen ze die binnen hadden, hebben ze me naar huis gestuurd en weigerden ze nog langer te betalen. Toen heb ik daar behoorlijk herrie geschopt, moet ik zeggen. Oorlog gemaakt ja. Kijk, het is niet zo dat het in het wielrennen alleen maar om het geld gaat. Maar ik ben altijd wel calculerend geweest. Het was mijn werk. Jij schrijft je verhaal toch ook niet voor niets?’
En daarom kijkt Pozzato nu liever vooruit. Belangrijker dan zijn overwinning in Milaan-Sanremo is waar hij over tien jaar staat. Nog even los van alle wieler-gerelateerde business hoopt hij tegen die tijd vooral het bedrijf van zijn vader Carlo weer in bezit te hebben en wie weet zelfs verder te hebben uitgebouwd.
‘Als ik geen wielrenner was geworden, had architect me wel wat geleken. Maar de kans is groter dat ik dan voor mijn vader was gaan werken. Die had een metaalbedrijf en produceerde onderdelen voor agrarische voertuigen. Het is een klein bedrijfje, nu voor een deel in handen van een andere aandeelhouder. Die probeer ik uit te kopen.’
De eer van la famiglia Pozzato staat op het spel, zegt Filippo. Dat heeft met het overlijden van zijn vader te maken, nu twee jaar geleden. Hij meldde zich af voor wat zijn allerlaatste Giro d’Italia had moeten worden. Een paar dagen later verscheen een foto van vader en zoon Pozzato op Instagram met een begeleidende tekst. Daarin sprak de wielrenner over een trotse man die hij helaas ook vaak tot waanzin had gedreven. Zijn vader had de kritieken in de krant maar moeilijk kunnen verkroppen, de verwijten dat zijn zoon zijn talent zou hebben verkwanseld en dat hij een wereldtitel had verknald.
‘Je had het er moeilijk mee, ik weet het,’ schreef Pozzato jr. ‘Maar je hield dat voor mij altijd verborgen. Maar maak je geen zorgen, lieve papa. Want ik wil vooral als mens gewaardeerd worden, niet als atleet. Vanaf nu zal ik voor mama zorgen. En voor Pamy en voor je kleinkinderen. Leid ons maar de weg vanuit de hemel. Ciao.’
De tekst sneed me dwars door de ziel.
‘Hij werd met Pasen ziek. Bleek een hersentumor te hebben. Na dertig dagen was hij dood. Hij is het ziekenhuis ingegaan en er nooit meer uitgekomen, terwijl hij zijn hele leven nog nooit een ziekenhuis van binnen had gezien.’
Pozzato sprak zakelijk en bijna klinisch over de dood van zijn vader, een zelfbeschermingsmechanisme dat ik ook bij mijn broer had gezien, nadat míjn vader een paar jaar geleden was overleden aan de gevolgen van botkanker. Op een dag kreeg hij pijn aan zijn rug en drie maanden later was hij dood.
‘Oh man,’ zei Pozzato. ‘Botkanker en een hersentumor zijn volgens mij de meest pijnlijke vormen van kanker. Dan is het maar beter als het snel afgelopen is.’
Ik zei dat het leven er na het overlijden van mijn vader echt iets minder leuk op geworden was.
‘Dat gevoel heeft mijn verloofde Victoria ook,’ antwoordde Pozzato, die er geen zin in leek te hebben om samen op de emotionele toer te gaan. ‘Zij bezoekt om de twee weken een psycholoog om over het verlies van haar vader te praten. Misschien heeft een vader meer betekenis voor een dochter, ik weet het niet. Zij waren in ieder geval ook heel erg close.’
Goed, genoeg over de dood, vond Pozzato. Waar het hem om ging was het levenswerk van zijn vader voort te zetten. Koste wat kost. ‘Voor mijn moeder is het ook belangrijk. Al tien maanden zijn we aan ’t touwtrekken. Ik wil graag kopen, maar nu wil die socio zijn aandeel niet meer verkopen. Ik weet niet waarom. Hij zei eerder dat hij er genoeg van had en er graag mee wilde stoppen. Maar nu houdt hij plots zijn poot stijf. Ik heb weleens gedacht: we verkopen de boel. Maar stel dat iemand anders dan een puinhoop maakt van wat mijn vader al die jaren heeft opgebouwd? Dat zou me erg aan het hart gaan. Dus heb ik er toch maar een missie van gemaakt om zijn nalatenschap te beschermen.’
Zo kende ik Pozzatootje weer.
Tussen alle bedrijven door werd Pozzato het afgelopen jaar zelf vader van een zoon: Giacomo. De playboy van het wielerpeloton was nu zelf een padre di famiglia, ten langen leste getemd door een Toscaanse schone. Maar Pozzato gaf er de voorkeur aan ook die gebeurtenis zo pragmatisch mogelijk te bekijken.
‘Tuurlijk, alles is veranderd. Het is geweldig om vader te zijn, iets waar ik altijd van heb gedroomd. Giacomo lijkt op me, vooral zijn ogen. Maar voor vrouwen is het toch anders, denk ik, om een kind te krijgen. Ik zie aan mijn verloofde dat ze zich heel erg vastklampt aan onze zoon. Terwijl voor mij geldt dat ik ook nog een ánder leven heb. En zolang ik niets kan ondernemen met mijn zoon, blijft het voor mij toch een beetje… hoe zal ik het uitleggen…’
Ik herkende de groeistuipen van een jonge vader. We lachten. Het liep inmiddels tegen negenen. De avond viel over Prato en de Birra Moretti’s waren op. De meeste rollerhockeyers hadden het sportpark verlaten. In de partytent een eindje verderop was van het varken aan het spit alleen de staart nog over en dus ging de stekker eruit. De achtste editie van het Taça Latina zat erop. Pippo was niet in de prijzen gevallen, maar dat mocht de pret niet drukken. Bovendien stond ons nog een diner te wachten in het centrum van de stad, op uitnodiging van de president van het onvolprezen rollerhockeytoernooi zelf. Met volop antipasti Toscani op het menu; plakken salami, mozzarella di bufala, finocchiona niet te vergeten (salami met snippers venkel) en mijn persoonlijke favoriet; crostini de fegatini (kippenlevertjes op toast).
Terwijl Pozzato in de auto nog even snel de Axe over zich heen had gehaald en een wit overhemd had aangetrokken om enigszins aan de dresscode te voldoen, schoof ik niet veel later als een soort veredelde en lichtelijk verfomfaaide mevrouw Pozzato aan tafel. Alle ogen waren op ons gericht. Dat kwam misschien ook doordat ik in vergelijking met de meeste andere dames aan tafel, opgeblonken in stijlvolle designerjurkjes en met opgeföhnd haar, nogal uit de toon viel in mijn nonchalante jeans-overall en verwaaide kop met haar.
Dat vond Pozzato dan wel weer grappig.
Mi piace.
Mijn tafelheer werd door allerlei hoogwaardigheidsbekleders geconfisqueerd. Een foto van Pippo met de burgemeester hier, een handtekening voor de dochter van de hoofdsponsor daar. Prato zou weten dat Pippo was geweest.
Ik bestelde nog een bordje met crostini misti. Daarna kwam nog de risotto, een selectie dolce en een dubbele espresso en toen zat de avond er bijna op.
Ik moest er maar eens vandoor, zei ik. Terug naar Lucca.
‘Dan loop ik wel even met je mee,’ zei Pozzato.
Dat leek me nou ook weer wat overdreven.
Maar de Italiaan in Pippo stond erop: ‘Insisto.’
En dus liepen we even later in de verlaten straten van Prato.
En daar stonden we dan. Wat onhandig en ongemakkelijk te doen. Op een donkere parkeerplaats, naast de huurauto.
Grazie. Voor de leuke middag en avond.
‘Di niente,’ zei Pippo. Nog een omhelzing en een kus op de wang van il Principe en weg was ik.
Wie verlangde nu nog naar Monaco of Côte d’Azur, cazzo!?! Welkom in Prato!
