MUR DE FRANCE


Het mooiste was het klassieke zegegebaar dat Dylan Groenewegen maakte, pas nadat hij de eindstreep al was gepasseerd. Dat kon niet eerder want Caleb Ewen had hem niet alleen op de hielen gezeten, hij was ook de achillespezen al gepasseerd. Groenewegen won de zevende etappe op het licht oplopende wegdek in Chalon-sur-Saône met een paar centimeter verschil en stak één arm de lucht in, schuin naar voren.

In de archieven is zo’n uiting van vreugde vaker op zwart-witfoto’s te zien dan in kleur, eerder in beelden van het Polygoonjournaal dan van de NOS of de VRT.

Toen kwam die oerkreet en mocht Dylan Groenewegen in moderne microfoons en voor geavanceerde camera’s zijn ploeggenoten bedanken, en dat was zeker niet slechts clichématig. Want Tony Martin had eraan bijgedragen dat de twee vluchters in de langste etappe van deze Tour de France, Stéphane Rossetto en Yoann Offredo, nooit de illusie konden koesteren dat er voor een van hen méér inzat dan de prijs voor de strijdlust. Wout van Aert verrichtte niet voor mogelijk gehouden beulswerk in de laatste kilometers op kop van het peloton, dat hij niet kort, maar juist lang hield. Amund Grøndahl Jansen bleek in staat die positie op het juiste moment over te nemen en Mike Teunissen schiep mede de ruimte die Groenewegen nodig had om zich ten slotte een weg te banen naar de finish.

Dylan Groenewegen won en verklaarde ’s avonds in ten minste drie televisieprogramma’s dat je niet zomaar herstelt als je met een vaartje van 70 kilometer op het asfalt kwakt, zoals hem in Brussel in de eerste etappe was overkomen; in een split second was hem toen de hoop op een dagzege én op de gele trui ontglipt. Daarna moest hij zijn schaafwonden likken en zijn mentale weerbaarheid aanspreken.

Toon Dylan Groenewegen na een overwinning, zet hem voor een tv-camera en zie hoe zijn gezicht de verbeelding is van het woord glunderen. Hij is niet alleen de snelste sprinter van het peloton, hij is ook de mooiste glunderaar.

In editie 61 van De Muur (juni 2018) begon Joost-Jan Kool aan een zoektocht naar het antwoord op de vraag wie de ideale sprinter is. Hij beschreef hoe hard Dylan moest trainen om te komen waar hij wilde zijn: bij de eindstreep, als eerste. Tot kotsen aan toe op een bruggetje langs de A6 bij Diemen. En van dat braaksel maakte hij soms een foto die hij naar zijn ploegleider Merijn Zeeman stuurde. Die bezat ook foto’s – ieder zijn hobby – van de kots van zijn vroegere pupil, Marcel Kittel, en was trots op deze bewijzen van maximale inspanningen.

De ideale sprinter is niet alleen een evenwichtskunstenaar is met krachtsexplosies in de kuiten, het is ook iemand die gewoon keihard moet werken voordat hij ’s avonds in miljoenen huiskamers zijn glunderende gelaat kan laten zien.


John Kroon


Leave a Reply