In memoriam: Dick Matena (1943-2026)


Auteur: Wiep Idzenga

Op 23 april 2026 overleed striptekenaar Dick Matena. In 2023 interviewde Wiep Idzenga Matena, o.a. over zijn fascinatie voor wielrennen. Dat interview uit De Muur #80 vind je hieronder.

Verliefd op Hugo Koblet

Striptekenaar Dick Matena is zoon van een wielrenner en koestert zijn herinneringen aan broodjeszaak De Apendans, aan Wim van Est, Arie van Vliet, Jan Derksen en bovenal Hugo Koblet. En aan zijn vader, die als baanrenner te kampen had met corrupte gangmakers en een vriend die heel fout bleek te zijn in de Tweede Wereldoorlog.

In een rommelige, maar gezellige bovenwoning in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt houdt Dick Matena een zwart-witfoto omhoog.

‘Godsammekraken, moet je dit zien.’

De striptekenaar kijkt zelf nog eens goed naar het beeld en wenkt dan zijn bezoek dichterbij. Matena’s wijsvinger houdt stil bij een grote blonde renner die middenin een groep de Cauberg beklimt. Het is Gerrit Schulte, de wereldkampioen achtervolging van 1948. Op zijn voorhoofd rust een stofbril, een met kurk afgesloten metalen bidon hangt aan het stuur.

De toeschouwers langs de kant – hoofdzakelijk mannen in donkere pakken – kijken vooral naar hem. ‘Schitterend hè,’ zegt Matena, met het accent van zijn geboortestad Den Haag. Dan verschuift zijn vinger op de foto naar de man die voor Schulte rijdt, een krachtig ogende renner met een zwarte kuif. ‘Dat is mijn vader, Willem Matena.’

Willemmatena

Het is vermoedelijk een beeld uit het Nederlands kampioenschap voor beroepsrenners van 1946 in en rond Valkenburg. Schulte stapte die dag na voortdurende pech af, Matena werd veertiende achter winnaar Bouk Schellingerhoudt en runner-up Theo ‘Fiel’ Middelkamp, de eerste Nederlander die een Touretappe won.

‘Mijn vader was allereerst een baanrenner, wegraces waren vooral trainingen, maar zo’n kampioenschap liet hij natuurlijk niet lopen.’
Nog voor het einde van de zin wendt Matena zijn blik alweer naar beneden, naar de dikke map op zijn schoot vol foto’s en vergeelde krantenartikelen. Flitsen uit mijn wielerloopbaan. W. Matena, is er op de harde kaft gedrukt. De losbladige verzameling is aangevreten door vocht en de tand des tijds. Er ontbreekt ook van alles. Matena trof zojuist tussen de beduimelde paperassen een brief aan van de kleinzoon van Wim van Est. Die was gericht aan Dicks moeder. Hij bedankt haar hartelijk voor het toezenden van ‘de spulletjes van haar man, een echte crack’. Het zijn ‘ware aanvullingen’ op zijn verzameling. ‘Het is een vriendelijk briefje,’ zegt Matena grimlachend, ‘maar toen ik het las, dacht ik wel even: wel godverjurre, die dingen ga ik nog even terughalen.’

Hij herinnert zich een kamer in hun ouderlijk huis vol bokalen, truien, vaantjes en acht racefietsen. Behalve deze map is alles verdwenen. Hij vermoedt dat zijn moeder veel heeft weggegeven in de beginjaren van haar dementie. Dan schiet hij in de lach. Een herinnering borrelt naar boven, over Wim van Est en zijn slechte stuurmanskunst. ‘Weet je wat mijn vader altijd zei? Als die Van Est een hooiberg zag, reed ie erin.’
Zijn vader vertelde zulke anekdotes als ze samen wielrennen keken, of, nog mooier, als Willem Matena zijn wielrenmaten trof in broodjeszaak De Apendans in Den Haag. Met hun oren op steeltjes speelden de jonge Dick en zijn anderhalf jaar oudere broer Wim onder en rond de tafels. Soms schoven ze aan met een broodje ei en koffie met veel melk.

Dick zoog de sterke verhalen op als een spons. Hoe de Nederlandse baanrenners na een wedstrijd in Milaan het gewonnen prijzengeld met gokken verveelvoudigd hadden en de lires illegaal wisselden voor dollars. En hoe ze de nacht voor vertrek die dollars in een holle buis van de trein verstopten om ze naar huis te smokkelen. Om er de volgende dag achter te komen dat die trein niet richting Nederland reed, maar naar Rusland. ‘Als mijn vader vertelde hoe ze tevergeefs achter die trein aanrenden, dan lagen mijn broer en ik bewusteloos van het lachûh. Ach jongen, hou op.’

Promo Nieuwsbrief

De renners die samenkwamen in De Apendans waren meestervertellers. Matena vond het er niet alleen gezellig, spannend en vermakelijk, hij leerde ook hoe je een verhaal of anekdote opbouwde. Hij plukte er in zijn werk later de vruchten van. De figuren die er rond de wielrenners cirkelden, vormden een inspiratiebron voor de personages in zijn boeken. Artiesten en mannen uit de onderwereld werden graag gezien in het gezelschap van populaire sporters en ex-sporters. Zoals de voor de buitenwereld keurige zakenman in zijn dure maatpak die tijdens het wandelingetje met zijn hondje ook De Apendans aandeed. Hij was in werkelijkheid de grootste en meest chique bordeelhouder van Den Haag. Matena senior zou na zijn wielercarrière met zijn aannemingsbedrijfje die seksclubs van badkamers voorzien.

‘Jezus, wat een mooie tijd was dat,’ zegt Dick Matena enthousiast. Zijn guitige ogen schieten van de opengeslagen map naar zijn bezoek en weer terug. Met zijn doorleefde hoofd en een aureool van wijduitstaande grijze haren heeft de 79 jaar oude tekenaar en scenarist van stripverhalen zelf wat weg van een stripfiguur, De Olijke Ouwehoer. Matena draagt een corduroy overhemd, een vale zwarte jeans en cowboylaarzen.

In gelijkende outfits struinde Matena jarenlang de kroegen af als werkonderbreking en voor nieuwe hersenkronkels voor zijn tekenarbeid. Nu komt hij er nog maar zelden. Drank en sigaretten zijn ingeruild voor koffie en goede verhalen.

Matena is al twintig jaar een niet-praktiserende alcoholist. ‘Ik ben blij dat ik er nog ben, jongen, zeker na dat hartinfarct in 2012.’ Hij had mazzel dat Nelleke de Boorder – sinds een halve eeuw zijn geliefde en moeder van vier van zijn zes kinderen – goed had opgelet bij de zwart-humoristische ziekenhuisserie Nurse Jackie. Het lukte haar Matena te reanimeren door na te doen wat ze op tv had gezien. Nelleke, die door Matena geïllustreerde kinderboeken schrijft, vertrok juist voor een bezoek aan de opticien. Hij vroeg haar nog even te wachten voor een afscheidskus. ‘Heb je je telefoon bij je? En doe je voorzichtig?’ vroeg Matena net voordat hij de deur achter haar sloot.

Matena kent zijn vaders carrière niet alleen door de verhalen in De Apendans en andere etablissementen, hij maakte de laatste jaren ervan nog bewust mee. Zijn vroegste wielerherinneringen komen uit Antwerpen, uit het Sportpaleis en de directe omgeving. Zijn vader huurde er in de koude periode geregeld een paar maanden een cabine. Dan trainde hij op de baan, en rustte en liet zich verzorgen in zijn eigen af te sluiten ruimte. In de map zit een kaart waarop staat dat Matena in 1947 van eind september tot het einde van het seizoen ‘Kabien 39’ huurt voor 500 Belgische frank.

De wielrenner was er normaliter alleen, maar geregeld nam hij ook zijn gezin mee. Zijn twee zoons – Wim uit 1941 en Dick uit 1943 – keken hun ogen uit in de hal.

Wielerbaan

‘Ik kan het zo weer oproepen. De zweetlucht, de geur van massageolie, de pestherrie en het gedender op koersdagen.’ Ze liepen van hun hotel zo Het Sportpaleis in. ’s Ochtends, als er nog niemand was, renden de twee ventjes over het hout, zo hoog tegen de acht meter brede baan op als ze durfden. Bij avondwedstrijden vermaakten de broertjes zich op het middenterrein. Ze keken af en toe naar hun vader die met duizelingwekkende snelheid zijn rondjes reed achter een enorme motor met een gele tank, bestuurd door een man in een leren pak.

Om niet van angst in zijn ‘broek te schijten’ richtte Dick zijn aandacht vaak op de met olie ingesmeerde mannen die elkaar in een ring op het middenterrein omver probeerden te gooien: catch-as-catch-can. Op die dagen was Het Sportpaleis als een kermis, één groot feest voor jongetjes die nog tien moesten worden.

Dat zijn vader zo vaak in Antwerpen trainde, kwam door een kritische column die ver voor de oorlog in de krant had gestaan. Eind 1933 had Matena met zijn vaste maat Gerrit Heslinga een koppelkoers over 1000 ronden gereden – bijna 170 kilometer – in het Sportpalast in Berlijn. De Hagenezen waren al na anderhalf uur uit de wedstrijd genomen wegens een te grote achterstand. Dat de jonkies – 22 en 21 jaar – driemaal waren lekgereden, maakte de columnist niks uit. Hij noemde het een afgang en adviseerde het duo om bij gebrek aan winterbanen in Nederland ‘eens een beetje te traineeren in Gent, Brussel of Antwerpen’.

Het opvolgen van die raad veranderde het leven van de jongste Matena. Hij ontwikkelde niet alleen een levenslange liefde voor de koers, ook zijn latere broodwinning vond er deels zijn oorsprong. Dick was altijd al ‘een plaatjeskijker’ geweest. Hij keek en las al jong de avonturen van Tom Poes van zijn latere leermeester Marten Toonder, en hij smeekte zijn moeder om met hem naar de filmpremière van Bambi te gaan. Op het gebied van stripverhalen was België het walhalla. In Antwerpen wemelde het van de stripwinkels waar Dick boeken vond die in Nederland niet verkrijgbaar waren.

Na elk bezoek aan België kwam hij met een tas vol nieuwe avonturen thuis. Zijn vader nam na een solotrip naar Antwerpen geregeld als cadeautje stripboeken van Suske en Wiske, Robbedoes of Kuifje voor hem mee. Het waren de armlastige naoorlogse jaren, maar vader Matena verdiende als profwielrenner een goede boterham. Zijn vijfde plaats bij het NK stayeren eind september 1945 leverde netto bijna drieduizend gulden op, anderhalf jaarsalaris van een fabrieksarbeider. Matena verdiende het bedrag in de tijd dat andere Nederlanders tijdens de grote geldzuivering een week lang moesten rondkomen van het ‘tientje van Lieftinck’.

Dick Matena kende tot zijn negende een gelukkige, onbezorgde jeugd. Toen zijn vader net voor zijn veertigste stopte met wielrennen en er een nakomertje werd geboren, een meisje, veranderde alles. In 1952 had Matena senior er een carrière van ruim twintig jaar opzitten. De zoon van de grootste aannemer van Den Haag was, na het verkrijgen van zijn eerste licentie als nieuweling in 1929, al snel overgestapt naar de onafhankelijken en snel daarna de beroepsrenners.

Matena startte ook in afvalraces, sprints en achtervolgingskoersen, maar hij reed vooral ontelbaar veel koppelkoersen met maatje Heslinga. Daar kwam in 1946 een einde aan toen Heslinga na een zware val in de Ronde van Feijenoord aan het kwakkelen raakte met zijn gezondheid. Vier jaar later overleed hij, 39 jaar oud.

De twee kenden elkaar van de Haagse club R.R.C. (Residentie Renners Club) Sparta. Heslinga was de snelle man, Matena deed met gemak een beurtje extra. Het Haagse koppel werd in 1934 bij de Amsterdamse zesdaagse na een te grote achterstand halverwege uit koers gehaald. Bij de eerste zesdaagse van Rotterdam, twee jaar later, hoefde het duo pas op de laatste avond voortijdig uit te sturen, in de tweede Rotterdamse editie werden ze zesde. Met renners als Jan Pijnenburg, Cor Wals, Kees Pellenaars, Albert Billiet, Piet van Kempen, Jimmy Walthour, Adolf Schön en Albert Buysse waren grote koppelkoersen te sterk bezet, maar bij de iets kleinere wedstrijden in plaatsen als Apeldoorn, Arnhem en Rijswijk grepen de Hagenezen op afstanden tussen 40 en 100 kilometer geregeld de hoofdprijs.

Organisatoren zagen het populaire tweetal graag komen. Sportjournalist Joris van den Bergh noemde het ‘een sympathiek koppel’ dat door ‘agressief, maar correct’ rijden het publiek waar voor zijn geld gaf, soms bijna letterlijk. Toen de twee met de derde plaats bij een 80 kilometer koppelwedstrijd vijfhonderd sigaren verdienden, deelden ze die keurig uit in het publiek. Matena beschikte volgens een andere journalist over ‘vurige vechtlust’.

‘Dat had hij zeker,’ zegt Dick Matena, ‘maar hij was te aardig voor topsport. “Je moet op de baan niet willen wijken, een genadeloze schoft zijn,” zei mijn vader, “en dat ben ik niet.”’ Hij deed er tegen zijn jongste zoon niet geheimzinnig over dat hij zeker in zijn tijd als stayer veel meer had kunnen winnen. In een mix van medelijden en gewoon geld verdienen, verkocht hij menige koers. Vooral op dagen dat hij goed en dus gevaarlijk was – en andere renners dat doorhadden – kreeg hij voor en tussen de races geregeld bezoek van concurrenten.

Vooral stadsgenoot Cor Wals zocht hem vaak op. De winnaar van zeven zesdaagsen en drievoudig Nederlands stayerkampioen begon zijn gesprek vrijwel altijd met: ‘Zeg Willem, weet je joh, ik heb al zo’n zware dag…’ Dan volgde er een relaas over een overleden tante of een doodgereden poes. Of Matena het een beetje rustig aan wilde doen. Dat wilde hij wel, zeker tegen een adequate vergoeding.

In zijn lange carrière leerde Matena ook de andere kant van de medaille kennen. Op weg naar een overwinning werd hij soms ineens geconfronteerd werd met een saboterende gangmaker, zoals bij het NK stayeren in 1947. De luid toegejuichte Matena reed ijzersterk, nam meer en meer afstand en het zag ernaar uit dat hij iedereen ging kloppen – ook de voorgaande drie Nederlandse kampioenen. Tot zijn gangmaker pech kreeg, een reservemotor lang op zich liet wachten en een derde plek het hoogst haalbare was.

Dat er iets niet klopte bleek na afloop, toen niet de nummer twee Cor Bakker met kampioen Jan Pronk naar het WK in Parijs werd gestuurd, maar Matena. Pronk pakte in Parijs brons, Matena kon door een voedselvergiftiging niet van start.

‘Nee joh,’ zegt een grijnzende Matena als hij het verslag van die NK-race bekijkt, ‘die motor viel niet zomaar uit. Mijn vader wist zeker dat die gangmaker omgekocht was.’ Matena junior zag ooit zelf zijn vader een gewonnen wedstrijd rijden tot vlak voor de finish de motor zonder benzine kwam te staan.
Jaren later zou een andere gangmaker van Matena, Frits Wiersma, onomwonden toegeven dat ook hij zijn renner met opzet liet verliezen. Tijdens een wedstrijd in mei 1944 in het Olympisch Stadion schreeuwde Matena voortdurend dat Wiersma gas moest geven om koploper Cor Noordeloos te passeren, maar zijn gangmaker bleef hetzelfde tempo rijden. Matena wilde harder, maar kon niet en kwam een paar meter tekort voor de winst. Wiersma vertelde een kwarteeuw later dat winnaar Noordeloos, slager van beroep, hem vooraf had benaderd. Het was oorlog, Wiersma vond dat hij het aanbod – een pond vlees en een pond vet – onmogelijk kon weigeren.

Tijdens de oorlog werd volop gekoerst. De toeschouwers waren blij met de afleiding die sporters hun boden. Wedstrijden en koersen trokken veel meer publiek dan vóór mei 1940. Het NK baanwielrennen halverwege 1944 – Matena werd vierde bij het stayeren – trok 35 duizend mensen naar het Olympisch Stadion. De meeste baanrenners, vooral de broodrijders, peinsden er niet over om het koersen eraan te geven.

De verdiensten waren beter dan voor de inval van de nazi’s, zeker op NK’s. Er was met de wielerbond voor de oorlog afgesproken – toen de publieke belangstelling nog tegenviel – dat renners op recettebasis werden uitbetaald. Met twee nationale titels in juli 1941 leverde dat sprinter Arie van Vliet bijvoorbeeld negenduizend gulden op, een godsvermogen.

Het was hetzelfde kampioenschap waarbij Nederlands kampioen stayeren Cor Wals een shirt met de SS-tekens droeg en in de ereronde de Hitlergroet bracht. Toen het publiek hem uitfloot en er kussentjes naar hem werden gegooid, keek Wals uitdagend terug en lachte. Het was, zo bleek later, zijn laatste koers. Wals, die sinds het najaar van 1940 lid was van de Nederlandse SS, sloot zich aan bij de Waffen-SS en vertrok als Rottenführer, een soort sergeant, naar het Oostfront om te vechten. Later werkte hij als Arbeitseinsatzleiter in concentratiekampen in Polen. Wals werd in 1947 tot 15 jaar cel veroordeeld, maar kwam door strafvermindering en gratie al in 1952 vrij.

‘Ja Jezus, hoe fout kun je worden? Mijn vader vond Wals een geweldige wielrenner, ze waren ook redelijk bevriend, maar na die verwerpelijke keuzes noemde hij hem “een stuk tuig”. Mijn vader was zeer links, tegen het communistische aan.’ Wals was na zijn vrijlating niet welkom bij de vriendengroep waar mannen als Van Vliet, Schulte en Jan Derksen wel aanschoven. Die drie, en ook Kees Pellenaars, koersten tot ver in 1944 in België, Italië, Frankrijk en ook in Dortmund en Berlijn. De profs wilden de 1200 gulden voor een week fietsen in het land van de agressor niet laten lopen.

Matena draaide tot begin september 1944 zijn rondjes op de Nederlandse pistes die nog niet, zoals de banen van Amsterdam en Rijswijk, in de houtkachels waren verdwenen. ‘Mijn vader zal ook weleens voor een NSB-organisator gereden hebben,’ zegt Matena tijdens het doorbladeren van de verschoten kranten. ‘Er moest wel eten op tafel komen’.

Wielerbaan2

In de oorlog ontstond er ook een alternatieve broodwinning voor baanrenners. In cinema’s draaiden voornamelijk Duitse films die amper bezoekers trokken. Om de zalen vol te krijgen bedachten bioscoopexploitanten een pauzeact. Dan probeerden op een podium drie of vier renners fietsend op rollers hun wijzer op een grote klok achter hen als eerste twaalf uur te laten passeren.

Van Vliet, Derksen en Jef van de Vijver – wereldkampioen sprint bij de amateurs in 1937 en 1938 – maakten Nederland in oktober 1940 al vertrouwd met het fenomeen met een toer langs verschillende filmtheaters. De drie wereldkampioenen namen het tegen elkaar op, maar soms werden ze uitgedaagd door mannen in de zaal. Dat waren meestal andere beroepsrenners of topamateurs. Om niet vernederd te worden, sjoemelden Van Vliet en de anderen met de as van de achterste rol. Als ze er een rolletje leukoplast omwikkelden, konden ze met minder omwentelingen volstaan om de wijzer voort te stuwen.

Ook Willem Matena verdiende tijdens en na de oorlog met die pauzewedstrijden. Als hij in de Haagse bioscoop Flora optrad, mochten zijn zoontjes komen kijken. Daar was de grote wijzerplaat vervangen door een miniatuurwielerbaan met rennertjes. ‘Dat was raar,’ zegt Matena, ‘om je pa ineens in de bioscoop te zien wielrennen. Dat geratel van die rollen maakte een enorm kabaal. En het stond er blauw van de sigarettenrook. Jezus, jongen. Dat was trouwens in de stadions ook zo. Van vijf uur ’s middags tot ver na middernacht zaten al die mannen daar te paffen.’

Net als veel andere gestopte wielrenners ging zijn vader na zijn carrière ineens als een idioot roken, alsof hij de schade wilde inhalen. Het paste in de machocultuur van de baanrenners in de jaren vijftig, een sfeer die Dick Matena steeds meer ging tegenstaan. Hij was een gevoelig, ziekelijk jongetje dat gedichtjes las en tekeningetjes maakte. Dat vonden zijn stoere broer en zijn vader raar en moeilijk te begrijpen. Het zorgde niet voor verwijdering, de komst van zusje Ineke in 1952 wel.

Het gezin was aanvankelijk euforisch, maar al snel sloeg dat om. Het nakomertje was pas zes weken oud toen ze met succes geopereerd werd aan een liesbreuk, maar in de dagen na de ingreep werd het meisje doodziek. Artsen stonden voor een raadsel en dat veranderde niet in de jaren die volgden. Van de vijfenhalf jaar dat ze leefde, lag Ineke er meer dan vier in het ziekenhuis. Pas twintig jaar later toen moeder Cornelia penicilline kreeg bij een stevige longontsteking en daar bijna aan doodging, begrepen de artsen dat het meisje allergisch was geweest voor het wondermiddel dat na de Tweede Wereldoorlog zo royaal werd toegediend.

‘Het heeft haar van binnenuit weggevreten,’ zegt Matena. Hij was zelf juist door de penicilline gered toen hij op zijn zesde een halfjaar in hetzelfde ziekenhuis had gelegen na een bijna fatale niervergiftiging. En bijna tien jaar later nog eens bij een bloedvergiftiging in zijn hoofd na een door de tandarts fout gevulde kies. Zijn eigen dubbele, langdurige afzondering van zijn familie en het lijden en de dood van zijn zusje lieten diepe sporen na. Zijn latere baas en mentor Marten Toonder noemde hem een oude ziel.

ls Matena een tijdje voor zich uit heeft gestaard zegt hij: ‘Het was zacht uitgedrukt niet fijn om mee te maken, maar het heeft me gek genoeg later wel geholpen in mijn werk. Ik geloof niet in gelukkige kunst. Creëren, creatief zijn is het compenseren van ongeluk.’

In de tijd dat zijn ouders gek werden van onmacht en verdriet om hun dochtertje was er weinig aandacht voor de twee broers. Hun fantastische jeugd doofde uit. Dicks oudste broer raakte danig de kluts kwijt, zelf werd hij een schoolverlater. Matena was een goede leerling. Na de HBS hoopte hij via de School voor Journalistiek sportjournalist te worden, net als zijn boezemvriend Maarten de Vos, maar halverwege de middelbare school gaf hij er de brui aan. Het caféleven trok en Matena voelde zich thuis tussen de artistieke types aan de toog, de vrouwen in die kringen vond hij woest aantrekkelijk.

Even zag hij een leven voor zich als kunstschilder, maar na het aanschouwen van het schilderij La Guerre Japonaise – ‘een meesterwerk, jongen’ – dat schilder/schrijver Jan Cremer met een verkoopprijs van een miljoen gulden tentoonstelde in de Haagse galerie Pulchri Studio, verdampte dat idee. Cremers schilderij was 1,5 bij 5,5 meter, Matena rommelde met A4’tjes. Misschien was illustrator een betere keus. Na twaalf ambachten en dertien ongelukken was het zijn chef in warenhuis Van Moorsel aan de Grote Markt in Den Haag die hem het laatste zetje gaf.

Op dezelfde kaartjes waarop Matena de prijzen van de uitverkoop moest schilderen, tekende hij ook allerlei figuurtjes. De chef zag zijn talent en gaf hem het adres van de Toonder Studio’s in Amsterdam. De zeventienjarige Matena tekende naast Lucky Luke en Suske en Wiske ook werk van Marten Toonder na. Toen hij dat liet zien kon hij gelijk beginnen. Matena werkte aanvankelijk anoniem aan verschillende series als Panda en Tom Poes, maar al snel tekende en schreef hij ook zijn eigen strip, Polletje Pluim.

Na acht jaar Toonder werkte Matena als freelancer voor magazines als Pep, Eppo, Donald Duck. Hij maakte vervolgens meer experimenteel werk met sciencefiction en surrealistische zwarte humor voor gerenommeerde Amerikaanse, Spaanse en Franse stripbladen. Rond 2000 sloeg Matena met zijn verstripping – hij noemt het zelf ‘een beeldroman met behoud van de oorspronkelijke tekst’ – van Gerard Reve’s De Avonden een andere weg in. Werk van onder meer Jan Wolkers, Remco Campert, Theo Thijssen, Charles Dickens en zijn persoonlijke favoriet Willem Elsschot volgden. Het maakte van Matena ook in literaire kringen een bekend figuur.

‘En weet je wat helemaal tof is,’ roept Matena, terwijl hij wat rechter op zijn stoel gaat zitten, ‘op een buitenmuur van de Erfgoedbibliotheek in Antwerpen wordt een door mij getekende scène uit Kaas van Willem Elsschot geschilderd.’

De Erfgoedbibliotheek ligt op minder dan vier kilometer van Het Sportpaleis waar zijn vader trainde en koerste. Matena vindt het een mooi gegeven. Door de keuzes van zijn vader is striptekenen zijn werk geworden, wielrennen kijken blijft een van zijn favoriete bezigheden. Het nieuwe koersen vindt hij geweldig, met een voorkeur voor Wout van Aert en Remco Evenepoel.

Soms schieten de gedachten ook decennia terug, naar het ontstaan van die passie. Toen Van Vliet en Derksen in het Olympisch Stadion voor de overwinning sprintten. Van Vliets explosieve aanzet, de snelheid die hij daarna ontwikkelde en Derksen die daar in de laatste centimeters toch nog overheen kwam. Matena wist niet wat hij zag. Helemaal verkocht was hij toen Hugo Koblet in 1951 vijf Touretappes en het eindklassement won. ‘Ik was als een klein meisje verliefd op Koblet, zoals je als jongetje verliefd kon zijn op Cruijff.’

Hij steekt een vinger in de lucht, rommelt wat in de map en vouwt dan een krantenpagina open. Het is De Waarheid van 16 juni 1947, het verslag van een internationaal wielercriterium achter motoren op het circuit van Zandvoort. Koblet startte ook en won de eerste van twee manches van 40 kilometer, met Matena niet ver achter hem. Door kettingpech in het tweede deel werd de Zwitser slechts derde achter winnaar Matena die ook het eindklassement won.

‘Matena won, maar Koblet de grote man,’ luidt de kop boven het stuk.

‘Winnen is winnen,’ zegt Matena grijnzend, ‘maar wat ik zo bijzonder vind, is dat mijn vader weleens liet vallen dat hij tegen mijn grote held had gereden, maar niet dat hij had gewonnen. Dat ontroert me.’

Leave a Reply