Het is de mooiste strontkoers van het jaar


Auteur: Bert Wagendorp

Parijs-Roubaix is een koers van herinneringen, meer dan de Ronde van Vlaanderen, meer dan Luik-Bastenaken-Luik en veel meer dan Milaan-Sanremo. Als er iconische beelden oppoppen uit mijn wielergeheugen, zijn het in negen van de tien gevallen momenten uit Parijs-Roubaix, met als meest indringende beeld het peloton dat de stoffige hel binnenstormt, één grijze wolk. Sowieso een van de allermooiste scènes die het wielrennen kent.

Als ik terugdenk aan de jaren dat ik klassiekers versloeg voor de krant, herinner ik me Franco Ballerini die is geflikt en verslagen door Gilbert Duclos-Lasalle en die in de douches van de wielerbaan van Roubaix zijn haar kamt. Die onophoudelijk zijn haar kamt, alsof alleen zijn haar kammen acute krankzinnigheid kan voorkomen. Die kamt en kamt, die kammend naar buiten loopt – ik noteer in mijn aantekenschrift ‘Ballerini kamt zijn haar’ (4x). Ballerini die zegt: ‘Ik heb in mijn leven maar één fout gemaakt en dat is dat ik wielrenner ben geworden.’

Ik zie Steve Bauer die in de eindsprint met één millimeter verschil verliest van Eddy Planckaert.

Ik zie de mannen vallen, de een na de ander. Het is alsof vallen in Parijs-Roubaix minder erg is dan in andere koersen, omdat vallen er nu eenmaal bijhoort in Parijs-Roubaix. Je kunt Parijs-Roubaix niet uitrijden zonder tenminste éénmaal te zijn gevallen, dus als je niet valt kun je nooit winnen.

Ik zie George Hincapie dapper trappen op het pad langs de Carrefour de l’Arbre of hoe de martelroute ook maar mag heten. Ik zie George opeens naar zijn stuur kijken. Hij heeft het los in de hand, de verbinding met zijn fiets is verbroken. Ik zie George’s verbaasde gezicht: heeft hij nou opeens een los stuur in handen? Dan maakt George een salto en verdwijnt in de greppel.

Ik zie mezelf: ik heb altijd gehoopt dat Tristan Hoffman Parijs-Roubaix zou winnen, jaar in jaar uit heb ik daarvoor kaarsjes gebrand met een simpele smeekbede: laat Tristan nou een keer Parijs-Roubaix winnen. Tristan is geboren in hetzelfde stadje als ik, vandaar. En dan, in 2004 is het, rijdt Tristan in een kopgroep in Parijs-Roubaix: het gaat gebeuren.

Het gebeurt niet. Tristan faalt op het moment suprème in de belangrijkste sprint van zijn leven. Hij blijft sterfelijk.

Ik loop met een vriendin door de douches van het Vélodrome André Pétrieux en we zien Andrea Tafi. Hij laat de stralen op zijn bemodderde bast neerkomen. Halverwege Andrea Tafi hangt iets, iets enorms, iets wat je maar zelden tegenkomt. De vriendin kijkt vol bewondering naar het wonder dat daar is geopenbaard. Heeft Andrea Tafi daar geen last van? Kennelijk niet, hij heeft gezegevierd.

De vriendin zegt dat ze Tafi wil gaan interviewen.

Ook dat is Parijs-Roubaix.

Roger de Vlaeminck, een oude man die herinneringen ophaalt. Die zegt dat hij niet dood wil, nog lang niet. HollandSport, vijftien jaar geleden. Wilfried de Jong zegt: ‘Jij lost op in de lucht.’ Alle heldenverhalen, alle heroïek, al het lijden en alle vreugde: allemaal weg. Roger die zegt: ‘Ik weet het. Ik weet het goedverdoeme: wat hebben de vier zeges in Parijs-Roubaix mij nou eigenlijk gebracht, behalve een bordje met mijn naam in een smerig douchehok?’

Dat Mathieu het even weet, als hij morgen voor de vierde achtereenvolgende keer zegeviert.

Het is lucht en leegte. Het is een bordje met je naam in een modderbad.

Het is een strontkoers. Maar het is ook het allermooiste wat wielrennen heeft te bieden.

Corvos 00038547 006

© Cor Vos

Leave a Reply