DAGEN VAN GORDELROOS
door
JORIS NIEUWENHUIS
Joris Nieuwenhuis – Nederlands kampioen veldrijden in 2024 – zat in het najaar thuis met gordelroos. De crosser die eind 2022 het wegwielrennen voor gezien hield omdat het hem te monotoon werd, denkt terug aan wie hij was en hoe hij veranderde.
Carcassonne, Occitanië, 9 juli 2021. Ik kom uit de greppel geklauterd. Het is warm, de lucht is helder. Om mij heen schreeuwen renners om hulp. Ik zet mijn helm recht, check mijn ellebogen. Zo te zien ben ik oké. Er komen mekaniekers aangestormd met wielen en fietsen.
‘Joris, een nieuwe fiets!’ Wie het precies is registreer ik niet. Verdwaasd pak ik de fiets aan en stap weer op. Ik krijg een lange duw in de rug en ben weer onderdeel van de koers. Ik ben op weg naar de finish van de 13e etappe in de Tour de France. Ik haal mijn fietscomputer uit mijn achterzak en schuif ’m op de houder. Hij geeft aan dat het 35 graden is.
Een halfuur lang rijd ik tussen de auto’s achter het peloton.
Dan begint de pijn langzaam vorm te krijgen. Schouder, knie, elleboog, handen, heup. Ik haal een paar keer diep adem en proef de uitlaatgassen. Zweet begint in de wonden te druipen en ik voel dat ik het peloton niet meer ga halen. Ergens diep verscholen in mijn hoofd begint er heel zachtjes een stemmetje tegen mij te praten.
Is dit hoe jij de komende jaren gaat doorbrengen?
Nog dieper verscholen zit het antwoord al, maar ik negeer het nu. Want de Tour wacht op niemand, dus ik moet door. Ik moet op tijd in Carcassonne zien aan te komen.
Het peloton haal ik die dag niet meer bij. Als 148e rol ik over de streep, ruim zes minuten achter winnaar Mark Cavendish. Eenmaal bij de bus, vraag ik hoe het met iedereen is. Mijn ploeggenoot bij DSM Søren Kragh Andersen is er het slechtst aan toe, maar hij komt er wel, zegt iemand.
Ik stap de douchecabine in en pak een washandje. Met een grote klodder Betadine schrob ik alle wonden goed schoon. In de evaluatie hou ik me stil, die gaat in een waas aan me voorbij, in gedachten zit ik te spelen met mijn verleden. Hoe was mijn leven verlopen als ik geen renner was geworden? Had ik dan überhaupt gefietst? Ja, dat denk ik wel. De ploegleiders praten door over wat er die dag is voorgevallen. Welke studie zou ik hebben gedaan? Had ik dan op kamers gezeten? Had ik dezelfde vrienden gehad? Ik val even stil als ik nadenk over alle keuzes die ik heb gemaakt, alle keuzes die ertoe hebben geleid dat ik nu op deze stoel zit, in een rennersbus in de Tour. Heb ik al deze keuzes uit volle overtuiging gemaakt? Of heb ik mij te veel laten leiden door anderen en leef ik daarom nu de droom van iemand anders?
Ik voel een hand op mijn schouder en kijk verschrikt om. Een verzorger steekt zijn hand uit. ‘We zijn er, hier is je pasje, kamer 505.’
Op mijn kamer laat ik de dag verder bezinken.
Was die greppel een afgrond geweest, dan was het nu over. Had ik voor altijd mijn eten door een rietje moeten opzuigen, of erger.
Ik probeer positief te blijven, maar dat lukt maar moeilijk. Dit is dag 13 en de voorbije inspanningen beginnen hun tol te eisen. De resultaten van onze ploeg zijn slecht en de media ruiken bloed. Er verschijnen artikelen op het internet waarvan de details alleen uit onze ploeg kunnen komen. Dat komt de sfeer niet ten goede.
Tien dagen later kom ik als een mentaal wrak aan in Parijs. Mijn lichaam voelt na 21 etappes niet eens zo slecht, maar geestelijk ben ik volledig uitgewrongen. Fietsen doe ik de daaropvolgende weken omdat het mijn werk is. En omdat ik mijn trainer niet wil teleurstellen. Die dagen ben ik in alle opzichten een fragiele renner.
Ik ben nu drie jaar verder. Na de Tour van 2021 reed ik nog één grote ronde, de Vuelta van 2022. Daarna heb ik afscheid genomen van de weg en ben ik me gaan richten op het veldrijden.
Ik ben dankbaar dat ik het al die tijd mocht meemaken. Het was voor mij een bizarre ervaring die mij heeft gevormd tot wie ik nu ben. Ik heb kennis opgedaan, ook over mezelf.
Ik weet nu bijvoorbeeld dat disharmonie in een groep mij mentaal uitwringt. Ik weet ook dat mijn hobby, fietsen, weinig met sport te maken heeft. Ik weet dat competitie op zich voor mij geen drijfveer is. Mezelf verbeteren daarentegen is dat wel. Ik weet nu dat ik een bepaalde mate van autonomie nodig heb om goed te kunnen functioneren.
27 september 2024. 19:00 uur, Zelhem. Al een paar dagen zit ik te zeuren over een gevoelige huid. Niks aan de hand, m’n rustpols is laag, m’n hartritmevariabiliteit in balans en ik slaap goed. Dan ontdek ik een paar rode vlekken op mijn heup: gordelroos. Ik ga ervan uit dat mijn lichaam dit wel eventjes heel snel zal oplossen. Maar mijn vrouw, die arts is, weet beter. Dit gaat niet zomaar even over. Of eigenlijk ook weer wel. Want de remedie bij gordelroos is rust, langere tijd rust. Drie tot vier weken. Net nu ik de laatste puntjes op de i probeer te zetten richting het crossseizoen. Maanden voorbereiding gaan in rook op.
Er ontstaat een mengelmoes van zelfmedelijden en onzekerheid, tegelijkertijd relativeer ik het helemaal kapot. Deze bipolaire fase duurt precies één week.
Nu ik dit schrijf, moet ik denken aan de stoïcijnse superpowers van Primož Roglič. Voor mij is Roglič de renner die de perfecte balans weet te vinden tussen werk en privé, tussen plezier en hard werken. Hij, die de Tour kan verliezen op de voorlaatste dag, daar geen waardeoordeel aan koppelt maar zich afvraagt hoe hij de Tour volgend jaar zal gaan winnen. Roglič lijkt vrij van oordelen over het verleden.
Dat ik dit beeld van hem heb, komt misschien omdat ik hem niet ken. Ik ken alleen renners die bij hem in de ploeg hebben gereden. En zelf heb veel dagen in hetzelfde peloton gefietst als Roglič, maar dat zegt verder weinig. Zijn interviews geven geen inkijk in zijn hoofd, waardoor ik er zelf maar een invulling aan geef.
Waarom doe ik dat? Ik put er motivatie uit, als ik bijvoorbeeld met gordelroos thuis zit.
Wat zou Roglič in mijn geval doen? In ieder geval niet zwelgen in zelfmedelijden en zich onzeker gaan afvragen of het ooit nog weer goed komt. Nee, hij accepteert de situatie en maakt een plan. Met als centrale vraag: hoe ga ik weer op niveau komen?
Ik richt me op het woord ‘hoe’ en constateer dat zo’n plan meteen een grote positieve impuls geeft aan je motivatie. Het neemt een hoop onzekerheden weg, omdat je het verleden kunt negeren en er alleen een toekomst is. Heb geen angst voor het onbekende.
Ik besluit in de dagen van gordelroos het boek Antifragiel van Nassim Nicholas Taleb er weer eens bij te pakken. Dat heb ik ooit gekregen van mijn trainer Koen de Haan. Het veranderde mijn kijk op tegenslag en even wat herlezen kan geen kwaad.
Voor wie het nog niet weet: antifragiel is de tegenpool van fragiel. Het woord fragiel is bekend: een vaas of een racefiets die het laadruim van een vliegtuig ingaat, is fragiel. Maar ook een bedrijf kan fragiel zijn of een land. Iets fragiels heeft last van schokken, chaos, wanorde of tegenslag. Iets wat antifragiel is, kan dat wel aan. Sterker nog, dat heeft het juist nodig. Een voorbeeld hiervan zijn je spieren, die sterker worden nadat ze zijn afgebeuld tijdens een training. Of je immuunsysteem, dat na ziekte juist sterker wordt en zich klaarmaakt voor een nog zwaardere aanval van bacteriën of virussen.
In de Tour was ik een fragiele renner. Zowel op als naast de fiets. Een van de oorzaken was het monotone bestaan. Hoe monotoner mijn leven, hoe kwetsbaarder en fragieler mijn lichaam werd. En ook: hoe angstiger ik werd voor een leven buiten het wielrennen.
Als renner hoef je tegenwoordig het wiel niet meer uit te vinden. Mijn dagindeling werd compleet bepaald door de experts van de ploeg. Van trainer tot bikefitter. Van wedstrijdprogramma tot ontbijt. De dagen verschilden weinig van elkaar. En hoe meer ik hierop ging letten, hoe problematischer het werd in mijn hoofd. Want voor mijn gevoel leerde ik alleen maar dingen om zo hard mogelijk te fietsen. Dat is natuurlijk zowel mijn hobby als mijn werk. Maar die hobby is voor altijd, het werk nog maar voor even.
En precies daar zit de angst. Ik ben bang dat een leven buiten het wielrennen me kwetsbaar maakt. In dat leven maakt het geen zak uit of je nu hard kunt fietsen of niet. Een leven waar je zelf moet solliciteren in plaats van dat je manager alles regelt. Een leven waar de wielrenner Joris Nieuwenhuis alleen nog in het verleden leeft.
Ik vroeg weleens aan een ploeggenoot hoe hij het leven na de wielercarrière voor zich zag. De meesten dachten daar liever niet over na. Die vonden het zelfs een bizarre vraag. Want als ze daarover begonnen na te denken, was het eigenlijk al einde carrière. Dan hadden ze het wielrennen al half opgegeven, dachten ze zelf. Anderen gingen er relaxter mee om. Die zagen zichzelf wel binnen de wielerwereld werken.
Maar een echt plan had bijna niemand. Ikzelf ook niet trouwens.
Wat mij is bijgebleven van al die jaren in de World Tour is dat maar weinig renners naast het fietsen een hobby hebben. Fietsen was hun hobby en hun werk: alles. En als het ergens anders over ging, dan ging het al snel over dure auto’s, zo weinig mogelijk belasting betalen, horloges en uiteindelijk toch vooral: wattages.
De koning van de apenrots was niet degene met de duurste auto, maar die met de hoogste wattages. Hun identiteit? Wielrennen. Wie waren als ze stopten? Wat konden ze dan? Ik zag de val, maar was niet van plan erin te trappen.
Ik gooide het roer om. Ik ging veldrijden, de sport waar het voor mij als 16-jarige allemaal mee begon. Dat lijkt misschien hetzelfde. Maar het zijn totaal verschillende werelden. In het veldrijden zul je je eigen monteurs moeten regelen. Je regelt je eigen voedingscoach, je eigen bikefitter, je eigen verzorger. Samen met jouw trainer knutsel je jouw seizoensplanning in elkaar. Het grote verschil is dat je zelf de regie in handen hebt. Ik moest mezelf weer de vraag stellen: hoe wil ik het eigenlijk?
Zo: ik wil de vrijheid hebben mijn eigen keuzes te maken. Het gaat om autonomie. Ik geloof met volle overtuiging dat dit me verder gaat brengen. Is het niet in het wielrennen, dan is het wel in het leven.