Auteur: John Kroon
Bauke Mollema en Steven Kruijswijk hebben hun laatste koers gereden en zullen volgend jaar geen deel meer uitmaken van welk peloton ook. Net als nog een reeks andere renners voor wie de jaren zodanig zijn gaan tellen dat het nu wel mooi genoeg is geweest. Of om de simpele reden dat geen ploeg hun nog een contract aanbiedt.
Er is er nog één die vrijwillig stopt, op 32-jarige leeftijd. Ogenschijnlijk niet te oud dus. Een renner, die zo blijkt nu, in de koers een eenzame man is geweest, hoeveel ploeggenoten of andere collega’s hem ook vergezelden. Dit gaat over een tweevoudig wereldkampioen. Zijn naam: Jan-Willem van Schip.
Een renner die de laatste jaren voortdurend overhooplag met de officials van de UCI of de KNWU. Omdat zijn zadelpen verkeerd stond. Omdat hij zijn bidon op een plek droeg waar dat niet mocht. Omdat hij verkeerd op zijn fiets zat. Of omdat hij als baanrenner zijn middelvinger opstak naar een jurylid. Hij sleutelde graag zelf aan zijn fiets, die er daardoor soms afwijkend oogde en andere renners zich afvroegen of hij soms gek was.
Hij is bezig met zijn memoires en gaf dagblad Trouw daar inzage in, gecombineerd met een interview. Dat leidde tot een bijzonder artikel van de sportjournalisten Thomas Sijtsma en Kick Hommes.
Het beeld rijst op van een renner die zich vele perioden zich ongelukkig heeft gevoeld, op de weg en op de baan. Als voor iemand in de wielersport het predicaat ‘buitenbeentje’ opgaat, dan is het wel voor Van Schip. Het is het verhaal van zijn leven. Mede veroorzaakt door een traumatische ervaring uit zijn jeugd die hem PTSS blijkt te hebben bezorgd.
Het zijn fysieke, maar vooral psychische problemen die Jan-Willem tot stoppen nopen. Wielervolgers kennen de vele lichamelijke kwetsuren die wielrenners bij hun riskante beroepsuitoefening kunnen oplopen. Van gebroken sleutelbeen tot een schedelbasisfractuur. Veel minder weten we wat er in die hersenpannen omgaat. Bij Van Schip is dat heel wat.
Citaat uit zijn nog onvoltooide memoires: ‘Vanaf het moment dat ik wakker werd tot ik ging slapen, had ik gedachtes die ik niet geordend kreeg. Ik dwong mijzelf dan maar naar de elektriciteitsmast te gaan om daar rustig te worden. Daar wilde ik mijzelf van kant maken.’
Hij heeft stemmen in zijn hoofd, de hele dag. Uit het interview: ‘Het zijn gekke gedachten. Als het niet goed gaat op training, dan gaat het helemaal suizen. Die stemmen gaan schreeuwen en vervolgens allemaal gejank en bloed bij de ontlasting.’
Hij had vele vragen als wielrenner, maar het lukte hem niet om van andere renners bevredigende antwoorden te krijgen, zelfs geen onbevredigende. In Trouw: ‘Stel je voor dat jij iets heel leuk vindt, zoals ik dat heb met wielrennen. Maar je krijgt tien jaar lang terug dat mensen in plaats van op zichzelf te reflecteren hun discomfort afschuiven op jou. Mensen vinden het niet vet als je een vraag stelt.’
Gaandeweg is hij tot de conclusie gekomen dat de wielersport en hij geen goede match vormen. De kop boven het artikel: ‘Het is zinloos. In het wielrennen is gewoon geen plek voor mij.’
Jan Willem van Schip vervolgt zijn studie Earth and Environment in Wageningen.

Foto: Cor Vos