Auteur: Bert Wagendorp
Ze is de winnares van de Tour de France en anderen vinden haar de beste van het peloton. Waar Tadej Pogačar elke overwinning als vanzelfsprekend beschouwt, moet Demi Vollering eerst haar eigen twijfel verslaan. Een herkenbaar mens dus.
Er zijn twee soorten kampioenen.
Je hebt de kampioen die op het erepodium de prijzen in ontvangst neemt en die het applaus en de bewondering over zich heen laat komen alsof die hem al vóór de wedstrijd begon rechtens toekwamen. Die de beker en de bloemen incasseert als de bevestiging van zijn superioriteit, als de enig mogelijke uitkomst van zijn deelname.
Tadej Pogačar is zo’n kampioen. Hij is zo gewend geraakt aan winnen, dat verliezen een onbekend land is geworden waarvan hij de taal niet meer spreekt. Hij kent alleen de triomf en de houding die daarbij hoort, de triomfantelijke. Niet dat hij arrogant is geworden, al komt dat misschien ooit nog. Nee, de zege is iets natuurlijks geworden; het komt niet meer in hem op dat winnen juist iets uitzonderlijks is dat maar weinigen is gegeven.
In alles wat hij doet zit moeiteloosheid, alsof hij is uitverkoren door de wielergoden om de gewone stervelingen te tonen hoe wielrennen in een ideale wereld eruit zou moeten zien.
Voor hem is winnen de consequentie van zijn eigen perfectie op de fiets en aangezien hij in elke kilometer die hij wegtrapt de perfectie demonstreert, in elke meter de foutloosheid, was er geen andere uitkomst mogelijk.
Dat denkt hij, op het erepodium, als het volkslied klinkt, zijn overwinningsmars.
Dat is de ene soort kampioen. Annemiek van Vleuten had het soms, Mathieu van der Poel heeft het soms ook, Lance Armstrong had het – inclusief wagonladingen arrogantie – zelfs Miguel Indurain was ermee behept, zij het onbewust. De grote kampioenen, Hinault, Merckx, Anquetil: allemaal waanden ze zich de rechtmatige eigenaar van het hoogste ereschavot.
Tot uiteindelijk het onvermijdelijke verlies komt. Maar dan trekt de kampioen zich voor de rest van zijn leven terug in zijn glorieuze verleden, waarvan hij de enige rechtmatige schatbewaarder is. Zo blijft hij de eeuwige onverslaanbare. Zo schuift hij jaar na jaar aan bij talkshows, laat hij zich filmen voor nostalgie-docu’s en praat podcasts vol, uiteindelijk altijd over zichzelf en zijn triomfen.
Je hebt ook een ander soort kampioen.
Ze huilt op het erepodium.
Ze luistert naar het volkslied en opeens realiseert ze zich dat dat wordt gespeeld voor haar.
Ze heeft dagenlang vervuld van twijfel rondgereden: elke dag loerde achter de overwinning het verlies. Niets in haar zegt dat de overwinning haar toekwam. Ze heeft van iedereen gewonnen, wat haar toch wel enigszins verbaast, maar ze heeft vooral haar eigen twijfel een daverende nederlaag toegebracht – dat is wat haar nog het meest heeft verbijsterd.
Ze zeggen dat ze de beste wielrenster van het peloton is en misschien wel de GOAT. Maar elke meter die ze fietst zie je haar vechten tegen de overtuiging die diep in haar geworteld zit: dat er, ergens achter haar, iemand meerijdt die eigenlijk beter is, die zo meteen onweerstaanbaar zal demarreren en die zal bewijzen dat ze helemaal niet superieur is, dat ze door iedereen is overschat – misschien ook wel door zichzelf.
Ze is niet perfect, haar stijl is die van een werker, vooral als ze moet vechten om vooraan te blijven. Je ziet dat het haar moeite kost, dat het pijn doet en dat ze inspanningen levert die haar krachten eigenlijk te boven gaan. Haar koersinzicht is regelmatig dubieus, ze maakt cruciale fouten, die ze dan weer moet herstellen. Ze verliest onnodige seconden, ze valt op de verkeerde momenten, ze let op de verkeerde concurrent, ze attaqueert op het verkeerde moment; ze heeft soms het gevoel dat ze een loser is.
Ze kent de genadeklap niet, ze geeft haar concurrenten altijd weer hoop. Dat ze niet onverslaanbaar is, dat ze iets zal tegenkomen, dat ze plotseling pap in de benen heeft of aan totale verwarring ten onder zal gaan en huilend in de berm zal gaan zitten.
Als zij aanvalt is daar weinig tegen bestand, maar toch lees je aan haar fietsen altijd de angst af dat het niet hard genoeg is, dat ze in het mes kan lopen. Dat ze bezig is zichzelf te verslaan en dat er nog iets kan gebeuren, iets dat haar fataal zal worden, een lekke band of een gebroken ketting, of God mag weten wat; het universum is onrechtvaardig en toevallig lijkt het wrede lot het vooral op haar te hebben gemunt. Daarom fietst ze verbeten door, ook in de laatste honderd meter – als haar achtervolgers het hoofd allang in de schoot hebben gelegd en haar meesterschap hebben erkend, is zijzelf de enige die nog niet is overtuigd.
Daarom huilt ze op het podium. Haar tranen drukken blijdschap uit en achter die vreugde schuilt de verbazing over haar eigen superioriteit. Dagenlang heeft het gevaar uit alle hoeken naar haar geloerd en leek het haar soms te verorberen. Elke avond moesten ze weer op haar inpraten en haar zelfvertrouwen zien op te kalefateren.
Ze zegt dat ze niet kan leven bij fietsen alleen, dat ze haar leven een diepere inhoud wil geven dan de meet en de flanken van de Ventoux. Ze kan maar moeilijk geloven dat die verdieping juist zit in de wijze waarop ze haar onzekerheid overwint en hoe ze daarmee anderen kan steunen in hún gevecht met het leven.
Ze moet nog leren inzien dat haar zelftwijfel juist ontwapenend is en haar tot een herkenbaar mens maakt. Dat onoverwinnelijkheid iets van de goden is, niet van de mensen en dat de onverslaanbare op zeker moment de sympathie van het volk zal gaan verliezen.
Ze heeft een lange weg afgelegd voor ze daar was, in het domein van de begenadigde wielrenners die hun onzekerheden nooit helemaal zullen kwijtraken, die zichzelf er toch elke keer weer van moeten overtuigen dat ze over bijzondere kwaliteiten beschikken. Die zo nu en dan zullen blijven verliezen van tegenstanders die niet in hun schaduw kunnen staan. Het zij zo.
In de vijfde Tour de France Femmes veroverde Demi Vollering de harten van de wielerliefhebbers. Niets meer en niets minder. Niet omdat ze superieur was, maar juist omdat ze dat niet was, omdat de twijfel nooit helemaal weg was, daarom.
Niets mooiers dan iemand zien vechten tegen zichzelf en de duiveltjes in haar hoofd. Niets mooiers dan iemand zichzelf zien overwinnen.
Tadej Pogačar is een onmenselijke kampioen. Niemand die iets van zichzelf herkent in Tadej Pogačar. Hij is de perfecte wielrenner, hij maakt geen fouten meer. Bij Tadej Pogačar is elke zwakte zorgvuldig weggeretoucheerd. Tadej is iemand uit een onbekende wereld. Je kunt Tadej bewonderen, maar van hem houden is iets anders.
Demi Vollering is zoals wij allemaal, alleen heeft ze een talent voor hard fietsen – iets waar ze eindelijk zelf ook in is gaan geloven.
Ze is verre van perfect. Ze maakt fouten en moet daarna haar uiterste best doen om die te herstellen. Ze kan geweldig teleurgesteld zijn in zichzelf.
Dat is herkenbaar, want dat is precies zoals wij zelf zijn.
Als Demi wint, geeft dat gewone stervelingen moed. Hé, denken die, het kan dus, ondanks alles!
En als het straks voorbij is, is het voorbij. Dan wacht de anonimiteit – wat is daar eigenlijk tegen?
Niets mooiers dan de imperfecte kampioen.

Foto: Joris Knapen
Dit verhaal komt uit De Muur #94. Deze editie bestel je hier.