Op 13 juli 1967, in de dertiende etappe van de Tour de France, overleed de Britse wielrenner Tom Simpson op de flanken van de Mont Ventoux. Oorzaak volgens het communiqué: extreme inspanning in extreme hitte. Vijftig jaar later verschijnt er een dichtbundel, over het geel waarvan de renner droomde en over zijn dood.


Tom Simpson op de Mont Ventoux, Tour de France 1967  Collectie Mark Van Hamme

De huurauto glijdt over de m6, richting Mochdre, Newtown, Powys, hartje Wales. Ik draai de volumeknop van de autoradio naar rechts. Space Oddity op de bbc – Major Tom, de ruimtereiziger die het contact verloor met aarde.

Toeval? Kippenvel.

Het is voorzomer 1987. Ik ben op weg naar Helen Simpson, de weduwe van Tom Simpson die in 1967 door een mix van factoren van zijn fiets viel en stierf op de Mont Ventoux. Bijna twintig jaar geleden alweer; aanleiding voor een terugblik in mijn krant.

Helen is in 1969 hertrouwd met Barry Hoban, huisvriend en collega van Major Tom, de wielrenner. Barry Hoban werd daags na Toms allerlaatste meters de aangewezen winnaar van Touretappe 14. Tegen wil en dank.

David Bowies ‘Can you hear me, Major Tom?’ dateert van 1969. Geen respons.

Zoals ook het contact met Radio Tour voor altijd was verbroken.

Tom Simpson kwam uit Haswell, County Durham, Noordoost-Engeland. Zijn vader was mijnwerker, zijn broer ook. Dat troosteloze perspectief wilde Tom ten koste van alles voorkomen. Hij droomde ervan rijk te worden, met sporten. Geen voetbal of cricket, Tommy wilde wielrennen. Een opmerkelijke keuze, want ‘koers’ zoals op het continent – dat bestond nog niet in Engeland. De enige discipline was tijdrijden, over vreemdsoortige afstanden: 49, 85 of 134 mijl, met stempelposten en erwten-sandwiches.

De drive van Tom Simpson was enorm. Hij werd prof in 1959, verhuisde naar België, bleek een opmerkelijk getalenteerd stylist, won klassiekers als Milaan-Sanremo, Vlaanderen en Lombardije. Hij droeg als eerste Engelsman de gele trui (1962, één dag), werd wereldkampioen in 1965 en raakte gefascineerd door zijn ‘gele droom’ over Parijs. De Sparrow, zijn andere koosnaam, stond op de drempel van het grote geld. De zoon van een miner, een working class hero.

De Tour de France van 1967 werd gereden met landenteams, tien renners elk. Halverwege was de zwakke Union Jack-ploeg al gehalveerd en waren Simpsons uitzichten op de eindzege vrijwel verkeken. In de Alpen had hij uit een beek gedronken en serieuze darmcatarre opgelopen. Hij zat dagenlang hondsberoerd op de fiets, maar bleef zijn motto trouw: ‘Never give up!’

Het was een publiek geheim dat Tom Simpson in de belangstelling stond van Salvarani, de Italiaanse keukensponsor, die druk op zoek was naar een luxe helper voor Felice Gimondi. De handtekening zou worden gezet zodra Simpson de Tour had uitgereden. Wínnen hoefde hij niet. De achterstand op klassementsleider Roger Pingeon leek niet meer te overbruggen.

Maar Simpsons eerzucht was ongekend.

Tom zocht de avond voor de fatale 13de juli telefonisch contact met Helen, die alvast met hun dochtertjes Jane en Joanne van Mariakerke naar hun nieuwe huis op Corsica was verhuisd. ‘Morgen de Ventoux, mórgen moet het gebeuren!’

In startplaats Marseille maande Gaston Plaud, zijn reguliere ploegleider bij Peugeot-Michelin-BP, Simpson niet te overdrijven. Tom sloeg de waarschuwing in de wind. In de Vieux Port poseerde hij gewillig voor de fotografen: bolhoed, zonnebril, regenjas, paraplu – roept u maar! Made in Britain en In every inch a gentleman. De lach lag op zijn gezicht bestorven.

Vanuit de Middellandse Zee reed het peloton van 104 renners rechtstreeks de bakovens van de Midi en de Provence in. Het kwik steeg tot boven de 40 graden. De koperen ploert verschroeide longen, huid en ledematen. Simpson toucheerde bij herhaling de menselijke limieten; zijn wilskracht en geest tilden hem eroverheen.

Water, water! Zijn knechten bleven de liters aanslepen. Lichamelijk al ernstig verzwakt door de darmproblemen stond de kopman telkens weer opnieuw droog. Water, water! In Bédoin, aan de voet van de klim, had Colin Lewis, zijn knecht en slapie, zes flessen uit een café gegrist. In één zat cognac. Simpson nam snel een paar teugen – ‘Ik ben ziek… dan mag het’ – en gooide de fles aan de kant.

Voorop reden Raymond Poulidor en Julio Jiménez; Simpson klampte aan bij een groepje-Gimondi, Pingeon, Lucien Aimar, Franco Balmanion en Jan Janssen. Vanuit het schaduwgroen van het bos waren ze rechtstreeks de witte hitte ingereden. Zuurstof was nog schaarser dan schaduw.

Al ruim voorbij Chalet Reynard, drie kilometer voor het Observatorium, moest Simpson lossen. Hij begon te zwalken, naar rechts, naar links, ging van zijn fiets, stapte weer op, reed 300 meter, week wéér naar rechts. Zijn pedalen stokten, eindeloos, krachteloos. Hij zocht steun bij zijn mecanicien Harry Hall, die uit de volgauto was gesprongen. Maar de slagzij verloor het van de zwaartekracht. Simpson kapseisde op een bed van witte stenen.

Mond-op-mondbeademing, eerst van een verpleegster daarna van ‘Tour-arts’ Pierre Dumas, mocht niet baten. Een helikopter vloog hem met spoed naar het Hôpital Sainte Marthe in Avignon. Om 17.40 uur werd zijn gele droom afgelegd onder een wit laken. Om 18.50 uur las Tourdirecteur Félix Lévitan in de perszaal, de kapel van een plaatselijke jongensschool, een communiqué voor: ‘Tom Simpson is gestorven. Aan een hartstilstand. Oorzaak: extreme inspanning in een extreme hitte.’

De Tour wachtte ook al niet op Simpson: Jan Janssen won de etappe in Carpentras. Uren later hoorde Janssen wat onderweg met Simpson was gebeurd. ‘Ik had hem zien wegvallen uit de kop; weer een concurrent minder – dacht ik nog. Niet aan dít…’

Profwielrenners beoefenden hun sport in de jaren ’60 als een professie. Verzorgen naar eigen inzicht en verantwoording moest kunnen. Brood op de plank. De amfetaminen tierden: ze versterkten niet, maar met pillen kon je je inspanningen doorvoeren tot voorbij het oneindige. Als je van tien tonedrons de kans liep te overlijden, dan stopte je toch bij negen? Wie niet pakte, werd zelf gepakt. Ingepakt, door zijn collega’s.

Strikt gereglementeerde dopingcontrole bestond nog niet. Adequaat ingrijpen door de medische entourage evenmin. Ploegartsen waren niet bestaand, Pierre Dumas was geen Tourarts – meer een veredelde fysiotherapeut. Een hartprik of andere atropine had niemand paraat, de hartdefibrillator moest nog worden uitgevonden.

Toch werden in geen van de autopsierapporten stimulerende middelen geduid als de enige of onvoorwaardelijke doodsoorzaak. In Toms borstzak en de ploegleidersauto waren doosjes met stenamine en tonedron gevonden en zijn urine bevatte sporen amfetaminen. Maar het was een samenloop van omstandigheden die Simpson op de dertiende dag van de Tour de France 1967 had genekt: ziek geweest, verzwakte conditie, oververmoeid, hitte, alcohol en doping. De verzekeringen besloten, na enig gesoebat, de polissen gewoon uit te keren.

Colin Lewis: ‘Die combinatie van factoren is veel te weinig benadrukt. Niemand heeft meegewogen wat de invloed was van dertien dagen Tour op een in wezen ziek gestel.’

Tom en Helen Simpson hebben met hun dochters Jane en Joanne geruime tijd nabij Gent gewoond, Helen en Barry Hoban daarna ook. De kinderen spreken vlekkeloos Vlaams. Tom Simpson had een schare aan Belgische bewonderaars, fans. Onder wie Willie Verhegghe, vanaf het nulnummer huisdichter en woordsymfonist van De Muur. Verhegghe wilde ooit met een poëtische ode zijn herinneringen aan Tom Simpson bundelen. Tommy, Willies werkmens’ held.

Vijftig jaar na Simpsons Ikarosvlucht tegen de Mont Ventoux is het zover. Willies Tribute to Tom, in 28 gedichten. Over zijn droom, het geel en de dood.

Sommige wielrenners sterven niet; die gaan on-gewoon dood.

‘Can you hear me, Major Tom?’ Willie Verhegghe denkt van wel.

Alle gedichten staan in de verschenen bundel Het geel, de renner en de dood,

een uitgave van Uitgeverij De Muur.

Peter Ouwerkerk

Uit: Wielertijdschrift De Muur, editie 57

 

 

 


Klik op foto om gedicht te lezen:


 

 

 


KLIK HIER om HET GEEL, DE RENNER EN DE DOOD te bestellen.


De Britse wielrenner Tom Simpson (1937 – 1967) was al wereldkampioen en winnaar van meerdere klassiekers, maar hij had nog een groot doel: de eindzege in de Tour de France. De charmante, goedlachse en ook eerzuchtige coureur had 13 juli 1967 aangemerkt als dag om zijn gele droom te verwezenlijken. Het zou de laatste etappe van zijn leven worden. Door een combinatie van een verzwakte conditie, de extreem zware klim, oververmoeidheid, hitte, alcohol en doping reed Simpson zijn dood tegemoet op de Mont Ventoux.


“Willie Verhegghe wekt Simpson in 28 gedichten tot leven met op de achtergrond altijd de dreigende tragiek van zijn vroege dood”

Leave a Reply